[p. 39]
De oude Dienstmaagd, op 't Hofjen.
- Wijze: 't Best op aard is het genoegen.
-
- ô Hoe kort is 't nog geleden,
- Dat ik in mijn dienstbaarheid
- Aan mijne dag-werk mogt besteden,
- IJver, kragten, lust en vlijt.
- 'k Had genoegelijke dagen,
- 't Volk geen reden om te klagen:
- 'k Gaf hem nimmer kwaad bescheid.
-
- k Heb altijd bij braave menschen,
- Schoon geen rijke liên gewoond.
- 'k Had al wat ik slegts kon wenschen;
- Maar ik heb ook steeds getoond,
- Dat ik trouw was in mijn pligten
- 't Werk met ijver wou verrigten,
- 'k Heb mijn nachtrust nooit verschoond.
-
[p. 40]
-
- Eertijds in mijn jonge jaaren,
- Toen ik nog maar weinig won,
- Moest ik zuinig 't loon bespaaren,
- Dat ik mij goed kleeden kon:
- Wie dagt toen aan zulke grillen,
- Daar de meisjens't geld meê spillen,
- Linten, strikken of japon.
-
- k Had een lief, mooij zondags pakjen
- Daar ik wel meê kon bestaan.
- Daag'lijks een eenvoudig jakjen,
- En gemeener goedjen aan.
- 'k Hield van wollen onderkleêren;
- Linnen kon ik niet ontbeeren,
- Wilde ik net en knapjes gaan.
-
- Had ik eens verval gekreegen,
- Als mijn volk gezelschap had;
- 'k Heb het aanstonds weggelegen;
- Want dit was mijn grootste schat
- Om voor ziekte en voor bezwaaren,
- Of den ouden dag te spaaren,
- Dat ik dan nog iets bezat.
-
[p. 41]
-
-
- Ja wat heb ik lange tijden,
- In mijn laatsten dienst geweest!
- Jufvrouw mogt mij heel wel lijden,
- En ik won bij haar het meest;
- En schoon stijf en stram van leden,
- Is zij altoos toch te vreden,
- Met mijn goeden wil geweest.
-
- 't Volk heeft ook hun woord gehouden,
- Zo als eertijds was beloofd;
- Dat zij mij bezorgen zouden,
- Was ik oud en afgesloofd;
- Hier heb ik een vrije wooning,
- Eetb're waaren en verschooning,
- k Zet nu 't zorgen uit mijn hoofd.
-
- Dus verkreeg ik door Gods zegen,
- Na het werk een zoete rust;
- Niets maakt mij nu meer verleegen,
- 'k Ben mij van geen kwaad bewust:
- 't Leven wil ik nu besteeden,
- In aanhoudende gebeden;
- Geef, ô God! mij kragt en lust!
-
- S.A.R.
|