[p. 42]

De bedroefde Moeder getroost.

 Wijze: Wij draagen met gelijke zinnen.
  
 Nu kan ik ongehinderd treuren,
     Daar 's niemant, die mijn traanen ziet
 Ik voel mijn teder hart verscheuren,
     ô Harde slag! ô zwaar verdriet!
 Mijn kind, de wellust mijner dagen
 Wordt naar het aklig graf gedragen,
          'k Beminde hem zo teêr,
          Ach! 'k zie hem nimmer weêr,
               Neen! nimmermeer!
  
 Hoe dikwerf - God! gij hoort mijn klagten,
     Heeft mij de stille hoop gevleid,
 Hij zou nog eens mijn lot verzagten!
     Vergeefs heb ik dit heil verbeid.
 Met traanen smeekte ik om zijn leven,
 Hij heeft mij voor altoos begeven!
          ô Al te wreede smart,
          Voor 't moederlijke hart!
               ô Bittre smart!
  


[p. 43]

 
 

 

 Maar, is dan al mijn hoop vervlogen?
     Schiep God hem niet voor de Eeuwigheid?
 Moest niet zijn heil mijn traanen droogen?
     Hij leeft bij God in veiligheid.
 Zo vroeg ontheft van smart en lijden
 Geen ondeugd zal zijn hart bestrijden.
          Verr' boven aarde en stof,
          Zingt hij zijn scheppers lof,
               In 't Hemelhof.
  
 Maar kan ik mij hier op verlaaten,
     Is ook voor hem dit heil bereid?
 ô Ja! zou God zijn schepsel haaten;
     Hij stierf in zijn onnozelheid?
 God is de liefde, en heeft het leven
 Gewis niet aan mijn kind gegeeven,
          Op dat Hij hem verstiet,
          In 't eindeloos verdriet;
               Dit kon hij niet!
  
 Daar ons Gods zoon aan 't onsterflijk leven
     En 't eeuwig heil heeft aangebragt,
 Zal dit mijn hart gerustheid geeven;
     Terwijl ik met geduld verwagt,
 Dat ik in 't zalig rijk hier boven,
 Eens met mijn kind'ren God zal looven,
          Voor 't Eeuwig heilgenot.
          Dus troost mij in mijn lot,
               De hoop op God.
  
     Ma.V.H.