[p. 44]
De braave Moeder.
- Wijze: Waar of mijn Rozelijntje blijft?
-
- Ei zie! wie had het ooit geloofd?
- Nu zwijgt het guitjen stil.
- Hij heeft alreê zijn kleine hoofd,
- Daar hij naar leeven wil.
- En geef ik hem van daag zijn' zin,
- Dan dwingt hij morgen weêr.
- 't Is best, daar ik zijn welzijn min,
- Dat ik hem buigen leer.
-
- Wanneer een kind in 't eerste jaar,
- Zijn' zin in alles heeft;
- In 't tweede wordt men reeds gewaar,
- Dat hij de wetten geeft.
- Als Moeder alles aartig vindt,
- Of 't dwingt, of slaat, of smijt;
- Zoo raakt zij dra bij 't wrev'lig kind,
- Ontzag en eerbied kwijt.
-
[p. 45]
-
- 'k Bestuur, terwijl ik Moeder ben,
- Mijn Kindren naar mijn pligt.
- En daar ik elks geaartheid ken,
- Valt mij die moeite ligt.
- Vier Kind'ren, vierderlijen aart;
- Dit neem ik steeds in acht.
- Zij zijn mij even lief en waard;
- Maar zijn niet even zagt.
-
- Dien ik met zagtheid leiden kan,
- Krijgt nooit van mij een' slag.
- Doch maakt men kwaad gebruik daar van,
- 'k Bewaar dan mijn ontzag.
- 't Vertrouwen heb ik onbeperkt,
- Ik zie hun gansche ziel;
- En nimmer heb ik nog bemerkt,
- Dat dit hen lastig viel.
-
- 'k Straf niets zo streng, dan logentaal,
- Ofschoon 't om bestwil heet.
- Terwijl ik steeds die les herhaal:
- Daar 's Een, die alles weet.
- Dit vormt hun hart voor trouw en deugd;
- En zegent God mijn vlijt,
- Dan leg ik, in hun ted're jeugd,
- Reeds 't zaad van eerlijkheid.
-
[p. 46]
-
- Ik zeg hen, dat, wie vlijtig leert,
- Bij ieder achting heeft.
- Wie naar Gods wil zijne oud'ren eert;
- Gerust en vrolijk leeft.
- En, daar vooral het voorbeeld stigt,
- Bij de onbedreven jeugd,
- Acht ik het steeds mijn' duursten pligt,
- Om wel te doen met vreugd.
-
- Hun vader, die, den ganschen dag,
- Moet slooven voor de kost;
- En t'huis dan wel eens rusten mag,
- Betrouwt aan mij dien post.
- En vindt hij dan het kleine goed,
- Terwijl 't hem streelt en kuscht,
- Gezeg'lijk, vrolijk, lief en zoet,
- ô! Dat 's zijn grootste lust.
-
- Doet elk zijn pligt, dan gaat het wel,
- Mijn kindren zijn mijn vreugd.
- Ach! dat Gods gunst hen steeds verzell'
- En houde op 't spoor der deugd.
- Dan smaak ik nog in de Eeuwigheid,
- Door hun geluk beloond
- De vrugten van mijn trouw en vlijt,
- Als God mijn werk bekroont.
-
- Ma.V.H.
|