[p. 49]
Luchtverschijnselen.
- Wijze: Marsch van Marlbourg.
-
- Daar had ik laatst gelezen:
- ('t Heeft in d' Almanach gestaan.)
- Wanneer 't Eclips zou weezen,
- Aan de Zon en aan de Maan.
- Nu moest 'er haast een komen;
- Dus heb ik eens vernomen
- Bij stuurman Jan, dat is een man;
- Die weet 'er van;
- Of 't waar is, dat die duisternis,
- Een schadelijk verschijnsel is,
- En of ons daar geen groot gevaar,
- Dus van te vreezen is.
-
[p. 50]
-
- Hij lachte om mijne vraagen,
- En om mijn onnutte vrees,
- Maar 'k had nooit, van mijn dagen,
- Iemand, die 't mij onderwees;
- En 'k had zo hooren spreeken;
- Doch 't is mij nu gebleken,
- Uit zijn bericht, dat dan het licht
- Voor ons gezicht
- Bedekt wordt door den tusschenrand
- Van de aarde, en dat des scheppers hand,
- Die 't licht eens riep, en alles schiep,
- 't Heelal ook houdt in stand.
-
- Hij ging mij toen vertellen,
- Van een staart-star of Comeet;
- Dat die nooit kwam voorspellen,
- 's Hemels wraak, en ramp of leed,
- In pest of ongelukken,
- Die 't menschdom zouden drukken,
- Of oorlogs brand, tot straf voor 't land;
- Maar dat Gods hand
- Der starren loop bestendig richt:
- Dat dus Natuur dit dwaalend licht,
- 't Welk op zijn' tijd zijn' glans verspreidt,
- Vertoont aan ons gezicht.
-
[p. 51]
-
- Ik moest nog verder vraagen
- 'k Zei': wat is dan 't noorderlicht.
- Beduidt dit straf of plaagen?
- 't Is een vreeselijk gezicht.
- De stuurman die beweerde,
- at menig een geleerde,
- Wel had gegist en veel gemist;
- Maar nooit beslischt,
- Van waar dit licht zijn oorsprong heeft,
- Genoeg is 't dat men veilig leeft,
- Om dat Natuur dit flikkrend vuur
- Ons niet tot schade geeft.
-
- Waarom zou ik dan vreezen,
- Voor Komeet of Noorder-licht;
- Of als 't Eclips zal weezen?
- 'k Ben nu beter onderricht.
- Nu kan ik zeker slaapen;
- Die alles heeft geschapen,
- En die Natuur en licht en vuur,
- Van uur tot uur,
- Steeds wetten geeft en onderhoudt,
- Weet dat mijn hart op hem vertrouwt;
- 'k Beveel mijn lot gerust aan God.
- Op wien men veilig bouwt.
-
- Ma.V.H.
|