[p. 57]
De Winter.
- Wijze: Men zag Damétas langen tijd.
-
- De winter toont zijn stuursch gelaat;
- Hoe dor en doodsch staan veld en boomen!
- Natuur schijnt thans in rouwgewaad
- De vorst verstijft rivier en stroomen,
- En toont zijn magt aan al wat leeft,
- Daar elk van koude trilt en beeft.
-
- Nu buiten niets meêr 't oog bekoort,
- De guure winden buldrend' raazen;
- Jaagt de eene bui den andren voord.
- De Hagel klettert op de glazen.
- Nu weet ik dat een warme haart,
- Mijn Damon 't zoets genoegen baart.
-
- Ik sluit mijn deur en venster digt?
- Dan kan ik, aan zijn zij' gezeten,
- Als hij zijn dagwerk heeft verrigt,
- Het ak'lig winterweêr vergeeten,
- Wij warmen ons, men praat, en lacht;
- Zoo word dus de avond doorgebragt.
-
[p. 58]
-
- Het heugt mij, hoe in vroeger tijd,
- De winter vreugd ons kon behaagen.
- Hoe wij te saam verheugd, verblijd,
- Op 't ijs ons leven durfden waagen.
- De jeugd ziet dikwijls geen gevaar;
- Maar wordt het vaak te ras gewaar.
-
- Nu zijn wij oud, en zorgen meêr,
- Maar toch ontbreekt ons geen genoegen;
- De jeugd bezoekt ons keer op keer,
- Om dat we ons naar heur wenschen voegen.
- Wie altoos knort, en mort, en klaagt,
- Heeft niets dat aan de jeugd behaagt.
-
- Wij leeven rustig en te vreê,
- Gewapend met een rein geweeten,
- En zingt men eens, wij zingen meê;
- Wij zijn nog alles niet vergeeten.
- Zo gaat de winter vrolijk om.
- Gelukkig zulk een ouderdom!
-
- Ma.V.H.
|