[p. 59]
Weldoen en Vrolijk zijn.
- Wijze:Wie heeft ooit grooter gek gezien.
-
- Nu zing ik eens een vrolijk lied.
- Wijkt zorg en smart, wijkt uit mijn hart,
- Verstoort mijn vreugde niet.
- Geen groote staat, geen geld noch goed,
- Geen pragt, die aan het oog voldoet,
- Maar een gerust en blij gemoed,
- Is 't daar mijn ziel naar haakt.
- Dan is mijn lot volmaakt.
-
- Wat baat het, dat ik zucht' en klaag'?
- En droevig schreij', om 't geen ik lij,
- Vermindert dit mijn plaag?
- ô Neen! en daarom, wijl ik weet,
- Dat niemand hinkt aan 's anders leed,
- Dus waar' het nutt'loos tijd besteed,
- En 't leven is te kort,
- Dat 't zo versleten wordt.
-
[p. 60]
-
- Kom lustig dan met frisschen moed
- Mijn pligt volbragt, dat lust en kragt,
- Op nieuw herleeven doet.
- Men leeft niet voor zich zelv' alleen,
- Maar ook tot nut van 't algemeen;
- Zo gaan de dagen vrolijk heen.
- En van geen kwaad bewust,
- Slaap ik des nachts gerust.
-
- Ik ben te vreden met mijn deel,
- Is 't breed of smal, genoeg is 't al,
- Is 't weinig, of is 't veel:
- Mijn hart dat ieder mensch bemint,
- Dat zich aan 's naasten dienst verbindt,
- In weldoen zijn genoegen vindt,
- Hoe ook mijn toestand zij;
- Is vrolijk, vrij en blij.
-
- Ma.V.H.
|