[p. 1]
Volks-liedjens.Uitgegeeven door de Maatschappij: Tot nut van 't algemeen.
Derde stukjen.
Te Amsteldam, Bij Harmanus Keijzer, Arend Fokke,
Simonsz. en Cornelis de Vries, Boekverkoopers. 1790.
[p. 3]
Bij 't gezicht van den Starrenhemel.
- Wijze: ô Slavernij, enz.
-
- ô Stille Nacht!
- Wat staatig duister,
- Wat glans en luister,
- Wat grootsche pragt!
- Ontelbre starren
- Die heerlijk praalen
- Doen door heur straalen
- 't Gezicht verwarren.
-
- Wie kan 't getal
- Dier waereld bollen,
- Die went'len, rollen
- In 't ruim heeläl
- Naar waarheid treffen?
- Of zeker toonen,
- Waar schepslen woonen,
- Die God verheffen?
-
[p. 4]
-
- ô Majesteit!
- Die 't al deedt worden,
- En in die orden,
- Hebt toebereid,
- Hoor stervelingen,
- In 't stof gebogen,
- Naar hun vermogen,
- Uw Grootheid zingen!
-
- Oneindig God!
- Der schepslen Vader!
- Wie is ons nader?
- ô Zalig lot!
- Gij slaat uwe oogen,
- Op deze onze aarde;
- Tot welk een waarde,
- Wilt ge ons verhoogen!
-
- Voor de Eeuwigheid,
- Voor hooger kringen -
- Tot Hemelingen,
- Hier voorbereid,
- Schenkt ge ons 't vertrouwen,
- Eens vrij van zonden,
- Van 't stof ontbonden,
- Uw werk te aanschouwen.
-
[p. 5]
-
- Dit star-gewelf
- Meldt uw vermogen;
- Eens zien onze oogen
- Den Schepper zelv';
- ô Mensch! val neder!
- Wilt duizendmaalen,
- Verrukt herhaalen:
- God mint ons teder!
-
- Ma.V.H.
|