Des Menschen Bestemming.
- Wijze: ô Kersnagt.
-
- Hoe kort, hoe broosch is toch dit leven!
- De vreugde is zelv' met zorg doorweeven,
- 't Begin is smart en 't einde pijn,
- En zou die droom van weinig jaaren,
- Zo vol verkeerdheên en gevaaren
- Het doel van mijn bestemming zijn?
-
[p. 6]
-
- ô Neen! mijn ziel, die door heur krachten,
- Zich kan verheffen in gedachten,
- Verr' boven alles, wat men ziet;
- En zelfs, als 't lighaam slaapt, blijft werken,
- Wier wenschen de aard' niet kan beperken,
- Sterft bij den dood des lighaams niet.
-
- Als eens de tijd 't gebouw zal sloopen,
- De dood d'onzichtbren band ontknoopen,
- Die ziel en lighaam saamen bondt,
- Zal zij, van 't stoflijk deel ontheeven,
- Nog denkend, werkzaam blijven leeven,
- Dit is in heur natuur gegrond.
-
- Heur vrij, heur helder denkvermogen,
- Zal dan met onbenevelde oogen
- Zich zelv' beschouwen, en heur' stand;
- Maar zal die staat mij voordeel schenken,
- Dan moet ik hier reeds daar aan denken;
- Hier ligt een allernaauwst verband.
-
- Wanneer 't genot der aardsche zaaken
- Van grove, zinn'lijke vermaaken,
- Mij hier onafgebroken voedt,
- Zoo 'k nooit eens denk aan 't volgend leven,
- Als eens de zinnen mij begeeven,
- Wat blijft 'er, dat mijn ziel voldoet?
-
[p. 7]
-
- Of kan ik vreugde en rust verwerven,
- Als in mijn ziel, tot aan mijn sterven
- Zich nijd, en wraakzugt vinden laat?
- Dit ijslijk denkbeeld doet mij schrikken!
- Of brengen weinige oogenblikken,
- Mij plots'ling in een beter staat?
-
- ô Neen! gescheiden van die dingen,
- Die hier beneden ons omringen,
- En daar ik al mijn heil in stel;
- En ongeschikt voor hooger vreugden,
- Bevreesd voor God, vervreemd van deugden,
- Waar' zelfs de Henel mij een hel.
-
- Reeds hier moet zich mijn ziel gewennen
- Zich zelv' en God te leeren kennen;
- En naar het voorschrift van zijn wet,
- Mijn naasten hartelijk te minnen;
- Zo moet mijn heilstaat hier beginnen,
- Die namaals dan wordt voord gezet.
-
- 't Verstand, geoefend in die zaaken,
- Maakt mij dus vatbaar voor vermaaken,
- Die tijd, noch dood, noch graf verslint;
- Waar door mijn ziel in hooger kringen,
- In eindelooze vorderingen
- Zich eindeloos gelukkig vindt.
-
[p. 8]
-
- ô Rein! - ô zalig vergenoegen!
- Hoe voel ik reeds mijn boezem zwoegen,
- Van blijden dank, aan God, mijn Heer!
- Die ons door Christus heeft gegeeven,
- Verzekering van 't zalig leven,
- Vervat in de Euangelie-leer.
-
- God zal niet slechts mijn ziel verhoogen,
- Maar 't lichaam, aan het stof onttoogen,
- En met onsterflijkheid bekleed,
- Zal eens, weêr met de ziel verbonden,
- In eeuwigheid Gods lof verkonden,
- Bevrijd van dwaling, ramp en leed.
-
- Voor dit geluk, zo groot van waarde,
- Is mijn bestemming op deze aarde,
- Ter voorbereiding van dien stand;
- Verhoor, ô God! dan ook mijn smeeken!
- En laat mij eens blijmoedig spreeken:
- 'k Beveel mijn ziel in uwe hand!
-
- Ma.V.H.
|