[p. 9]
De Bermhartige.
- Wijze: Gelijk de schoone bloemen kwijnen.
-
- 'k Heb onlangs in de Schrift geleezen:
- Een Christen moet bermhartig weezen,
- Op dat hij, die daar aan voldoet,
- Ook eens bermhartigheid ontmoet'.
-
- Zou ik dan, door mijn woord of daaden
- Den armen om zijn lot versmaaden?
- 'k Toon hem veeleer mijn deerenis,
- En help hem, waar het nodig is.
-
- Heb ik meer overvloed ontvangen,
- Dan kan hij ook met recht verlangen,
- Dat, daar Gods woord het mij gebiedt,
- Hij zich door mij geholpen ziet.
-
- Zoude ik gelijk veel rijke vrekken,
- Mij aan behoeftigen onttrekken?
- Dan smaakte ik nooit die reine vreugd,
- Die een weldaadig hart verheugt.
-
[p. 10]
-
- Kan ooit ons hart genoegen smaaken,
- Wanneer wij onzen pligt verzaaken,
- Als ons geen ted're liefde gloed
- Voor 's naasten heil ontbranden doet.
-
- Of was ik beter in Gods oogen,
- Dan and'ren van gering vermogen,
- ô Neen! de rijke ontvangt zijn lot,
- Zijn schat, ook onverdiend van God.
-
- Gij trotsche rei van waereld-grooten!
- Verdruk vrij uw natuurgenooten,
- Gij wordt wel ras ten val geleid,
- Door eigen wrevelmoedigheid.
-
- Ik zal met teder medelijden
- Door raad en daad elks hart verblijden,
- In armoede en in droefenis.
- Wijl dit de les van Jesus is.
-
- Sterk mij, op dat ik deze pligten,
- ô God, met ijver moog' verrichten,
- Tot dat ik eens dit aardsche dal
- Voor de Eeuwigheid verwislen zal.
-
- S.A.R.
|