[p. 11]

Buur-praatjen.

 

 

 Wijze: Waar of mijn Rozalinde blijft?
  
 
 Klaartjen.
 Zeg Betjen! gaat gij nooit te kerk?
     'k Zie zelden u gekleed,
 Maar altoos ijvrig aan het werk;
     Wel kind! het doet mij leed:
 Gij werkt en wroet en slooft en draaft,
     'k Zie menigmaal met smart,
 Dat gij dus altijd zijt verslaafd;
     'k Beklaag u in mijn hart.
  
 
 Betjen
 Maar Klaartjen, is het niet mijn pligt,
     En 'k doe het met vermaak;
 Dat elk met vlijt zijn werk verrigt,
     Is dunkt mij onze zaak,
 Wat zou ik in de kerk ook doen,
     'k Versta daar weinig van;
 Dat 's voor een vrouw van meer fatsoen.
     En die 't begrijpen kan.
  


[p. 12]

 
 't Komt somtijds nog wel eens te pas,
     Op 't paasch- of pinksterfeest;
 En toen 't in 't voorjaar beê-dag was,
     Ben ik 'er nog geweest;
 Want dan toch gaat 'er ieder een;
     Maar 'k weet niet regt waarom,
 Ik kom, al ga 'k 'er al eens heen,
     Toch even wijs weêrom.
  
 
 Klaartjen.
 Kom buurvrouw! hoor dan eens naar mij,
     En volg mijn' trouwen raad:
 Ik werk met lust, zoo wel als gij,
     De week dóór vroeg en laat;
 Maar die geen kleine kindren heeft,
     Doet prijslijk als zij 't schikt,
 Dat ze ook eens voor den Godsdienst leeft,
     En Zondags zich verkwikt.
  
 'k Ga doorgaans dan eens in de kerk,
     En hoor aandachtig toe;
 Hoe dat ik in mijn daaglijks werk,
     Het best mijn pligten doe;
 Daar leer ik: dat hij God behaagt,
     Die ieder mensch bemint;
 Dat, wie zich vroom en deugdzaam draagt,
     Zich steeds gelukkig vindt.
  


[p. 13]

 
 Daar krijg ik troost in tegenspoed,
     In kommer, smart en pijn,
 En leer in alles welgemoed,
     Gerust en dankbaar zijn.
 En zing ik dan des hoogsten lof,
     Met die geheele schaar -
 Is 't of mijn ziel in 't Hemelhof,
 Reeds bij Gods Eng'len waar'.
  
 Schoon ik in 't eerst niet veel verstond,
     Dit beterde echter ras;
 Te meer, daar, als ik boekjens vond,
     Ik dan ook vlijtig las:
 Die boekjens van de Maatschappij
     Tot nut van 't algemeen,
 Zo regt geschikt voor u en mij,
     Begrijpt toch ieder een.
  
 Wij zijn óók menschen, lieve kind!
     Bestemd voor de Eeuwigheid
 Wij worden ook van God bemind,
     En tot geluk geleid.
 De Godsdienst kent geen' rang of staat;
     Gods woord raakt arm en rijk.
 De dood, en 't loon van goed en kwaad,
     Stelt vorst en slaaf gelijk.
  


[p. 14]

 
 God gaf 't verstand aan ieder een,
     Maar 't is ook onze pligt,
 Gebruik te maken van al 't geen,
     Dat ons verstand verlicht.
 't Is kennis en opregte deugd,
     Die onss gelukkig maakt;
 't Is Godsdienst, daar men waare vreugd
     En rein genoegen smaakt.
  
 
 Betjen.
 Hoor Klaartjen, 'k volg uw voorbeeld na,
     'k Besef nu eerst mijn' pligt.
 Ik tragt, in 't geen ik niet versta,
     Naar meerder onderrigt;
 Want onbekend maakt onbemind,
     'k Schik voordaan dan mijn werk,
 Dat ik ook eens een uurtjen vind',
     Voor 't leezen en de kerk.
  
     Ma.V.H.