[p. 21]
De dankende Handwerksman.
- Wijze: Hoe zoet is 't daar de vriendschap woont!
-
- Ik juich in mijn gezegend lot:
- Ik heb, het geen ik vroeg;
- Aan rang en rijkdom, buiten God,
- Heeft niemand ooit genoeg.
- 'k Heb rust en daaglijks onderhoud,
- Geen' vijand, die mij onheil brouwt.
- Wiens heil is 't mijn gelijk!
-
- 't Is waar, ik werk van d'uchtenstond,
- Tot aan den avond toe;
- Maar 't werken maakt mij sterk, gezond,
- En tevens blij te moê.
- Ik ben tot werken toebereid,
- En noem de vuige ledigheid
- Een pest der Maatschappij.
-
[p. 22]
-
- Wat blijdschap wordt mijn ziel gewaar,
- Als 't werk is afgemaakt;
- Daar ik mijn koopman winst vergaêr,
- Die voor mijn welzijn waakt,
- Wijl hij mij naar verdiensten loont,
- En zich den Menschenvriend betoont
- Die zijnen plicht betracht.
-
- Hoe juichen dan mijn gade en kroost,
- Wanneer ik t'huiswaards keer.
- Niet een, die dan één zuchtjen loost:
- Elk roem dan d'Opperheer,
- Die menschen tot ons heil verwekt,
- En ons met liefdevleuglen dekt,
- En kleedt en spijst en drenkt.
-
- Ik ruilde mijn' geringen staat,
- Voor aardschen rijkdom niet:
- De weelde en gulzige overdaad,
- Baart armoede en verdriet;
- Maar de arbeid, die ons voordeel schenkt,
- Verheft het hart, daar 't biddend denkt,
- Aan hem, die 't Al bestuurt.
-
- D.B.
|