[p. 25]
Avond-zang.
- Wijze: Psalm 41.
-
- Lief vogeltjen! hoe kweelt ge uw' avondzang!
- En ik, ik zwijg nog stil! -
- Of wilt ge, dat mijn toon uw' toon vervang'?
- Welaan, 'k volbreng uw' wil:
- Volschoone zon! reeds zinkt hij in de kimm',
- En in een zee van goud
- Verdooft ge uw glans, opdat uw zuster klimm',
- Aan wie ge uw post vertrouwt.
-
- Aandoenlijk licht! klim, zachte zilvre maan:
- Rijs, fakkel van den nacht!
- Treed heerlijk langs uw' heldren blauwen baan,
- En schijn in volle pragt.
- 'k Zie uw bodin, wat diamanten gloed?
- o Schoone star! uw licht
- Verrukt een hart, dat de Almagt hulde doet,
- 'k Aanbid, ik zwijg, ik zwicht.
-
[p. 26]
-
- Stil, weste wind! ruisch zagtjens door 't geboomt',
- 't Gevogelt gaat ter rust,
- Daar 't beekjen zagt voorbij mijn wooning stroomt,
- De grazige oevers kuscht.
- Stil avond uur! hoe streelt gij 't moede hart,
- Dat, door de zorg gedrukt,
- Ten prooi gesteld aan eene onlijdbre smart,
- Geen enklen wensch gelukt.
-
- Nu zwemt al 't land in eene zilvre zee;
- De dag was brandend heet;
- ô Avondstond! wat voert gij schatten meê!
- Hoe loont gij vlijt en zweet!
- De landman keert vernoegd naar zijne stulp,
- Volvrolijk dankt hij God,
- In al zijn doen zag hij des Hoogsten hulp,
- Hoe zegent hij zijn lot!
-
- De lieve jeugd, zichzelv' geen kwaad bewust,
- Komt dartlend' van het land,
- Neemt de avondspijze en gaat verheugd ter rust,
- Bewaakt door 'sHoogsten hand!
- En nu. ô Bron van liefde en zaligheid!
- Wanneer de stille nacht
- Een scheemrend floers op al 't geschaapne spreidt,
- Beveel ik me aan uw magt.
-
- G.S.
|