[p. 27]
Morgenzang.
- Wijze: ô Kersnacht! schooner dan de dagen.
-
- De bleeke kim begint te bloozen;
- Hoe strooit natuur hier purpren roozen!
- Wat schoon, wat heerelijk gezicht!
- Wat schittrend goud! wat gloed! wat glansen!
- Verspreiden zich langs de oostertransen,
- Bij 't lieflijk rijzend morgenlicht!
-
- 'k Hoor duizend, duizend orgelkeelen,
- Den lof hunn's grooten scheppers kweelen;
- Hoe treft die wildzang mijn gehoor!
- Steeg zo mijn ziel, bij 't uchtendkrieken,
- Ook hemelwaards, op vlugge wieken,
- Al juichend met het vooglen choor!
-
- Wende ik het oog naar alle kanten,
- Hier zie ik vloeibre Diamanten,
- Die flonkren, op een groenen grond,
- Daar vischjens in kristallen stroomen,
- Gindsch 't bloozend ooft aan vruchtbre boomen,
- Wat schoonheên schenkt ge! o morgenstond!
-
[p. 28]
-
- Slaa ik naar 't bloemenperk mijne oogen,
- Wat mengeling van regenboogen!
- Die zich schakeeren, als om strijd!
- Dan, ach! hoe zeer deez' lieve bloemen
- Op glans en schoonheid kunnen roemen,
- Geene is bestaanbaar voor den tijd.
-
- ô Zinneprent der ijdelheden!
- ô Maagd! die pronkt met schoone leden,
- Met frissche roozen op 't gelaat,
- Met al wat u natuur kon schenken,
- Zie in deez' teedre bloem de wenken
- Van 't zichtbaar schoon, dat ras vergaat.
-
- 'k Zie dartle schaapjens, vroeg aan 't aazen,
- Ten boezem toe in 't klaver graazen;
- Dit vrolijk hupplend, tierig vee
- Schijnt ook Gods liefde en gunst te melden,
- En boom en bloem en Hof en velden,
- 't Zingt al Gods tedre liefde meê.
-
- Zoude ik dan, die, door uwe goedheid,
- Een lot geniet, zo vol van zoetheid,
- Uw gunst niet roemen? groote God!
- Laat dan veeleer mijn tong verstijven,
- Mijn handen slap en werkloos blijven,
- Eer 'k niet zou juichen om mijn lot.
-
- G.S.
|