De Oogst.
- Stem: Gij die thans zijt met mij ter Jagt, enz.
-
- Zie hoe de zon reeds opwaards snelt, ha, ha!
- Kom spoeden we ons te saam naar 't veld, ha, ha!
- Hoe buigt alreeds het rijpe graan!
- Laat ons de sigt in 't koren slaan, welaan! welaan! welaan!
-
- Kom spoeden we ons te saam gezwind, ha, ha!
- Terwijl men 't graan tot schooven bindt, ha, ha!
- Slaan wij, op dezen heldren dag,
- 'Er duizend neêr, bij elken slag, welaan! welaan!
welaan!
-
- Wij spoeden voord; dat gaat 'er door, ha, ha!
- Hoe ook de zon in 't aanzicht gloor', ha, ha!
- En 't zweet ons druppel' van de kin,
- Wij slaan 'er echter lustig in; ha, ha, ha! ha! ha! ha!
-
[p. 32]
-
- Hij die, nu lui, zijne armen spaart, ha, ha!
- Is zelfs geen klap om de ooren waard, ha, ha!
- Het weêr is droog, en vóór den nacht,
- Moet de Oogst ook droog in schuur gebragt. ô ja, &c.
-
- Maar, knaapen! is uwe ijver sterk, ha, ha!
- Gaat toch niet roekeloos te werk, ha, ha!
- Die roekloos, of uit eigenbaat,
- Te veel op d'akker liggen laat, doet slegt, &c.
-
- Wanneer de zon in 't westen daalt, ha, ha!
- Dan wordt het graan naar schuur gehaald, ha, ha!
- Dan juichen we allen, blij te moê,
- Den welvernoegden landman toe, ha, ha! &c.
-
- Dan gaat de bierkan in het rond, ha, ha!
- Dan danssen we op den groenen grond, ha, ha!
- Wat vreugd! terwijl het veeltjen klinkt,
- Als de eene danst en de ander drinkt, ha, ha! &c.
-
- Nog eens, rept, knaapen! u, in 't veld, ha, ha!
- Ziet hoe de zon reeds voorwaards snelt, ha, ha!
- Rondöm valt reeds het rijpe graan,
- Ziet reeds de wagens vol gelaên, spoedt voord, &c.
-
- M.N.
|