[p. 33]
't Vergenoegen.
- Wijze: Heldre zonnen, heldre straalen.
-
- Bron van 't reinste vergenoegen,
- Zalige tevredenheid!
- Bleeke kommer, angstig zwoegen
- Vlugten, waar ge uw' glans verspreidt.
- Laage dalen, stille dreeven,
- Kunt gij zulk een aanzien geeven,
- Dat het hof van spijt besterft,
- Wijl 't dien glans en luister derft.
-
- 'k Werd in rijk vergulden zaalen,
- Dikwerf op muzijk verrast;
- Maar 't gezang der nachtegaalen,
- Heeft veel meer mijn oor vergast.
- Laaten de uitgezochtste toonen
- Daar de ziel van de aarde troonen;
- In na uur heur heiligdom,
- Zingt men 't choor dier kunsten stom.
-
[p. 34]
-
- ô Daar zingt hij, dat zijn klanken!
- Welk een rolling! welk een zwier!
- Lieve vogel! 'k moet u danken -
- Gij schenkt leven aan mijn lier:
- Trillend, lillend, zwellend, buigend,
- Smeltend, vloeijend, tjilpend, zuigend,
- ô Wat toon! 'k verlies mij zelv'
- In dit eenzaam bosch-gewelf.
-
- Zeg eens, lieve Filomeeltjen!
- Schoonste zangster van het woud!
- Waarom gij uw orgelkeeltjen
- Meest bij dag geslooten houdt.
- Lieve, kleine hartendwingster!
- Duldt ge dan geen mededingster?
- Dan zijt ge ook van jalouzij,
- Kleine zangster! gansch niet vrij.
-
- Maar mijn vinkjen zou wel meenen,
- Dat ik hem vergeeten had;
- Zie! 't is of het zit te weenen:
- Treur niet, liefste, beste schat!
- 'k Heb u lief, mijn aartig vinkjen,
- Als een stukjen van mijn pinkjen.
- Fluit nu eens, mijn harte dief!
- Kusch mij, dan heb ik u lief.
-
[p. 35]
-
-
- Zie hier heb ik tarwen kruimtjens;
- Strakjens komt mijn muschjen weêr.
- 'k Heb wat hooi, wat wol, wat pluimtjens,
- 'k Leg het alles voor hem neêr:
- Zijt gij daar reeds, juplend diefjen?
- ô Hoe vrolijk volgt ge uw liefjen,
- Als zij, door natuur geleid,
- Voor heur kroost het nestjen spreidt.
-
- Ach! waar voert mijn geest mij henen,
- Stille, zalige Natuur!
- Hoe wil zich mijn ziel verëenen,
- Met uw koestrend hemelsch vuur!
- Ieder blaadtjen, ieder takjen,
- Ieder fluitjen, kwikjen, kwakjen
- Van een vogel roert mijn hart
- Door geen bange zorg benard.
-
- Laat een rijkaart mij verachten,
- Laat zijn trotsche, laage ziel
- Zwijgen op der droeven klagten,
- Dulden, dat men voor hem kniel',
- In mijn' vrijë blijë woning,
- Is de Heer der schepping - koning
- In zijn wijs, zijn zagt gebied
- Kent men laage trotschheid niet.
-
[p. 36]
-
- Bron van 't reinste vergenoegen,
- Zalige tevredenheid!
- Bleeke kommer, angstig zwoegen,
- Vlugten, waar ge uw' glans verspreidt,
- Wat al heerlijke tooneelen!
- Wat al schitrende tafreelen!
- Heeft uw lieve hand gemaald,
- Voor den mensch, dien gij bestraald.
-
- G.S.
|