De Bruiloft.
-
- DE BRUIDEGOM.
- Wijze: Geld is de ziel van alle zaaken.
-
- Welkom, ô vrienden al te samen,
- Welkom, aan dezen Bruilofts-disch;
- Vreugde doe ons de borst ontgloeien,
- Daar deze dag zo heuchlijk is.
-
- DE GASTEN.
- Ja, de vreugd doordringt ons de adren,
- Bij dit vrolijk Huwelijks-Feest,
- Daar wij te saam den gullen tafel nadren,
- Juicht elk onzer met blijden geest:/:
[p. 37]
-
-
- EEN.
- Maar is het huwlijk zo aanloklijk,
- Is de vrijheid niet meer en waard?
- Zeker in banden om te zuchten,
- Is het verdrietigst op deze aard:
-
- ALLEN.
- Neen het zijn fluweelen banden,
- 't Lieve huwlijks juk is zoet;
- Aan den boezem eener tedre gade,
- Smaakt men gewis het hoogste goed.
-
- EEN.
- Wijze: Zonder liefde, zonder wijn.
-
- Wat toch is het vrij te zijn,
- Als m' alleen moet zwerven;
- Is 't het teder hart geen pijn,
- Als 't de min moet derven?
- Maar vereend van ziel en zin,
- Smaakt men waar genoegen,
- Zalig is 't, wanneer de min
- Twee kan samen voegen,
-
- ALLEN.
- Wijze: Wat is ons al vreugd gegeeven.
-
- Ja, gewis het huwlijks-leven
- Is met zaligheên doorweeven;
- De echt verstompt het scherpst verdriet,
- En de rampen klemmen niet.
-
- EEN DER GETROUWDEN.
- Kijk, het is nu vijftien jaaren,
- Dat ik met mijn man mogt paaren,
- En het is nog even groen:
- Man lief! kom, geef mij een zoen.
[p. 38]
-
-
- DE MAN.
- Wel zie daar - die drooge snaaken,
- Die het eerlijk huwlijk wraaken,
- Kennen 't waar genoegen niet,
- 't Geen ons huwlijks liefde biedt.
-
- ALLEN.
- Wijze: Malbroek, enz.
-
- Ja, ja, wij moeten 't gelooven;
- Elk roep: het huwelijk boven!
- Ja, ja, wij moeten 't gelooven,
- Kom schenkt den beker in,
- En roept met blijden zin,
- Ter eer der Huwlijksmin.
-
- EEN.
- Wijze: Je le compare avec Louis.
-
- Wanneer de deugd den trouwknoop sluit,
- 't Jonge paar vereend blijft streeven,
- Naar een genoeglijk werkzaam leven,
- En dus de deugd aan d'ijver hecht;
- Wanneer 't kroost dan om ons dartelt,
- 't Wichtjen aan 's moeders boezem spartelt,
- ô Dan kan, ô dan kan,
- 't Oog van vreugde weenen - 't oog van, enz.
-
- ALLEN.
- ô Ja, gewis, het echtverbond,
- Schept ons een Hemel hier op aarde,
- Geeft aan het hart een hooger waarde,
- Ieder roep dus, met hart en mond!
- Liefde, liefde, bron van zegen,
- Strooi uw roozen allerwegen,
[p. 39]
-
- Dat elk hart, dat elk hart,
- Voor uw altaar kniele.:/:
-
- EEN.
- Wijze: Gij die thans zijt met mij ter jacht.
-
- Komt vrienden, wenscht, met blij geluid, ô ja!
- Uw heil aan Bruidegom en Bruid, ô ja!
- Maar plengt daarbij den eeren wijn,
- Dan zal de wensch meer klemmend zijn.
- drinkt uit, drinkt uit, drinkt uit,
|