De Baker.

 Wijze: Wat is ons al vreugd gegeeven.
  
 Bij het klimmen van mijn' jaaren,
 Word ik meêr en meer ervaaren,
     Hoe ik met het jonge goed
     In het baekren leeven moet.
  
 Och! hoe moest, in vroeger tijden,
 Meenig schaapjen droevig lijden,
     Daar het in een luiren pak,
     Als een ijz'ren harnas, stak.
  


[p. 46]

 
 Droevig kreeten dan die bloedjens,
 Werden handjens, werden voetjens,
     In een bondel wreed gekneld,
     Weggebakerd met geweld.
  
 'k Zal den Doctor altoos prijzen,
 Die mê een' and'ren weg kwam wijzen,
     Toonend hoe die dwang en pijn,
     Aan de kind'ren schaedlijk zijn.
  
 Hoort gij enge borsten steenen,
 Sprak hij, ziet gij scheeve beenen,
     Of een vreeslijk groote bult,
     Denk, dat 's ligt de Bakers schuld.
  
 Nog iets leerde mij die braave,
 Die nog, schoon reeds lang tengave,
     De achting van elk menschenvriend,
     Om zijn kindermin, verdient.
  
 Zoudt gij 't kindjen slaapgoed geeven,
 Zeî hij eens, gij doet mij beeven,
     Denk dat slaapgoed dooft veelligt
     't Fijnst gevoel van 't lieve wicht.
  


[p. 47]

 
 't Droef gevolg zal eerst, naa jaaren,
 Zich aan de ouders openbaaren,
     Daar hun druiloor, als een zot
     En een bloodaart, wordt bespot.
  
 Bakers! laat u overtuigen,
 Leert u naar de reden buigen,
     Daar toch ieder Huwlijkspand
     Wordt vertrouwt aan onze hand.
  
     A.L.Pz.