De Keukenmeid.
- Wijze: Chloris die mijn hartjen rooft.
-
- Wel wat is dat hier een boêl;
- Foei! wat zou mijn vrouw wel zeggen?
- Als zij 't hier zo vol zag liggen,
- Niets is leêg! niet eenen stoel;
- Ieder brengt mij wat om laag,
- Maar dan wordt het neêr gesmeten:
- 't Bergen wordt al meest vergeeten,
- Dat is mij de grootste plaag.
-
- Kom! ik knap het raschjes op,
- Een, twee, drie, wat goed geborgen,
- 'k Zal maar voor den vrede zorgen,
- Zo! nu is 't weêr als een pop.
- Als ik door een kleine zaak,
- Ongenoegen kan vermijden,
- Dan kan ik mij regt verblijden,
- Zeker, dat is mijn vermaak.
-
[p. 54]
-
- 'k Heb 't van daag nog magtig drok;
- Maar, dat mag men vrij geloven,
- Kooken, bakken, braaden, stooven,
- Kan ik als de beste kok;
- Kijk! het is mijn grootste pret,
- Als ik veel heb klaar te maaken;
- 'k Heb nu ook verscheiden zaaken,
- Reeds vooraf gereed gezet.
-
- Als mijn volk gezelschap heeft,
- Zorg ik, dat ze lekker eeten,
- Nochthands zal ik nooit vergeten,
- Dat 'er zuinig word' geleefd.
- 'k Durf Mevrouw bij 't botervat,
- Op een kijkjen zelfs verzoeken:
- 'k Spit met kuilen noch met hoeken,
- Neen 't is als een ijs zo glad.
-
- 'k Stook nu wel wat grooter vuur;
- Maar ik pas op 't koolen dooven;
- 'k Moet van avond groenten stooven,
- En de turf is vreeslijk duur:
- Die in voorraad koolen gaart,
- Heeft niet altijd hard te stooken,
- 'k Moet toch telkens water kooken,
- 't Vuur is altijd aan den haard.
-
[p. 55]
-
- 't Is mijn pligt, en 'k doe 't met lust,
- Om voor 't volk wat te overleggen,
- Schoon zij 't niet geduurig zeggen,
- Zij zijn op mijn trouw gerust.
- 'k Neem 't ook als mijn eigen waar;
- En verlangt Mevrouw de blijken,
- Laat ze in al mijn kasten kijken,
- 't Is 'er altoos kant en klaar.
-
- 'k Ben 'er grootsch op, dat men 't weet;
- Waar ik ooit heb rond gezworven,
- Nimmer is mij iets bedorven;
- 'k Zorg dat me eerst de kliekjens eet'
- 'k Weet wel, hier is overvloed,
- Maar was 't daarom te vergeeven,
- Dat me 'er roekloos meê zou leeven?
- Neen! 't bezwaarde mijn gemoed.
-
- Wat of Kee-buurs Mie toch denkt,
- Als zij telkens iets benadert?
- Suiker, Thee, en Kruid vergadert,
- En 'er anderen meê beschenkt?
- 't Is de grootste dieverij,
- Want zij schendt het goed vertrouwen,
- 't Zou mij al mijn leven rouwen,
- Zoo ik ooit zo deed' als zij.
-
[p. 56]
-
- 'k Heb 't hier wonder na mijn' zin!
- 't Volk beschouwt ons ook als menschen;
- 'k Zou de kost nooit beter wenschen,
- 't Loon is reed'lijk, dat ik win.
- En Mevrouw! - o! Ze is zo goed!
- 'k Moet haar achten en beminnen.
- 'k Weet niet, wat ik zal beginnen,
- Als ik haar verlaaten moet.
-
- Maar 'k heb Koô, dien braaven Knegt,
- Nu reeds vijf jaaren laaten wagten;
- 'k Heb op zijn herhaalde klagten,
- Eind'lijk toch eens Ja gezegd.
- Zijn verdienste is wel niet groot,
- Maar hij is me opregt genegen;
- 'k Denk door vlijt en 's Hemels zegen,
- Krijgt men ligt zijn daaglijksch brood.
-
- Ma. V.H.
|