De Werkmeid.
- Wijze: Lijsjen sliep in 't bosch, enz.
-
- 'k Moet zo waar al weêr van boven,
- 't Is Kaatjen hier en Kaatjen daar,
- Dan moet 'er vuur zijn in de stooven,
- En dan is 't: maakeens koffij klaar;
[p. 57]
-
- Straks komt mijn Heer, dan moet men eeten,
- De tafel dient gereed te staan,
- Hoe zal 't nog gaan! hoe zal 't nog gaan!
- 't Ligt alles over hoop gesmeeten,
- Wat vang ik aan? wat vang ik aan?
- Zo krijg ik nooit mijn werk gedaan.
-
- 'k Moet van daag twee kamers veegen,
- En morgen aanstonds aan den trap.
- Het loopt mij nu ook alles tegen,
- De schel gaat als een Laz'rusklap.
- Kon ik een poosjen boven blijven,
- Ik kwam ten minsten eens wat voord;
- 'k Ben zo verstoord! 'k ben zo verstoord!
- 'k Heb hier nog zo veel goed te wrijven,
- 'k Ben zo verstoord, 'k ben zoo verstoord,
- Kaatjen is altijd 't andere woord.
-
- Maar ik moet dat prutt'len laaten,
- Wel foei! dat past geen brave meid.
- 't Kan immers aan het werk niet baaten,
- 't Gelijkt veel eer onwilligheid.
- 'k Zal liever weêr met moed beginnen,
- Dan valt mij de arbeid eens zo ligt;
- 't Is toch mijn pligt, 't is toch mijn pligt,
- 'k Moet 'er mijn kost en loon meê winnen,
- En 't is mijn pligt, en 't is mijn pligt,
- Dat ik het werk met lust verrigt.
-
[p. 58]
-
- 'k Heb ook zeker niet te klaagen,
- Mevrouw is reedelijk, braaf, en goed;
- Zij gaf mij opslag zonder vraagen,
- 'k Heb spijs en drank in overvloed.
- Ze is ook geen vrouw die trots en spijtig,
- Heur meiden toesnaauwt, of veracht;
- Maar zij verwagt, maar zij verwagt,
- Dat men dan ook getrouw en vlijtig,
- Uit al zijn magt, uit al zijn magt,
- Steeds met vermaak zijn' pligt betragt.
-
- 'k Raak hier vrij wat in de kleêren,
- Van linnen ben ik wel voorzien,
- Nu zou ik nog wel iets begeeren,
- Wanneer ik eerst wat langer dien;
- Kon 'k eens een mooi chits Jakjen koopen,
- Een blaauw zijd' rokjen naar den trant;
- En dan een kant, een fijne kant,
- Maar 't zou mij nog te kostbaar lopen,
- Neen met verstand, neen, met verstand;
- 'k Geef al het geld niet uit mijn hand.
-
- Wel ik heb mij moê gewreven;
- Maar als Mevrouw de stoelen ziet,
- Zal ze mij mis een prijsjen geven;
- En wat toch doet me om glorie niet.
- 'k Hoor haar zo dikwijls van mij praaten,
- Mijn Kaatjen, zegt ze, ô! dat 's een meid!
[p. 59]
-
- Van handigheid, en goed beleid -
- 'k Durf mij op haar gerust verlaaten,
- Zij heeft beleid, en eerlijkheid,
- Denk eens, hoe dit mijn eerzugt vleit!
-
- 'k Ben daarom geduurig bezig,
- Op dat ik haar genoegen geev'.
- 'k Zorg of zij t'huis is of afweezig,
- Dat ik altijd ondent'lijk leev',
- Wat zou aan 't waar geluk ontbreeken
- Van iemand, die zijn pligten doet,
- Is vrijheid zoet, en overvloed, -
- 'k Hoor wel zo veel van rijkdom spreeken;
- Maar 't vrij gemoed, 't gerust gemoed,
- En 't eerlijk hart is 't beste goed.
-
- Ma. V.H.
|