De Braave Nacht-wacht.
- Wijze: Waar of mijn Rozelinde blijft?
-
- Ik neem getrouw mijn wachten waar,
- Na 't voorschrift van mijn' pligt;
- En hoor ik iemand, hier of daar,
- 'k Ga zien wat hij verricht;
- Bevinde ik hem, aan 's Naasten's goed,
- Door roofzucht aangespoord,
- Ik breng hem om zijn' euvelmoed,
- Daar, waar de dief behoort. -
-
[p. 63]
-
- 'k Grijp nimmer, tegen recht en reên,
- Mijn' naasten schuld'loos aan;
- 't Welk dikwijls, om het geld alleen,
- Door and'ren wordt gedaan;
- Ons loon is wel een sober deel;
- Doch dit geeft niemand recht,
- Dat hij met de ondeugd saamen speel',
- En de onschuld stout bevegt'. -
-
- Ik waarschouw elk, in 't avond uur,
- Dat hij zorgvuldig lett',
- Op 't anders schaadlijk licht en vuur,
- Dat menig huis verplet,
- En word ik ergens brand gewaar.
- Dan roep ik elk bij een,
- Op dat men niets ter blussching spaar',
- Maar daadlijk hulp verleen'.
-
- Mijn staat is nietig, ongeacht;
- Doch geeft mij veel vermaak,
- Al treft mij meenig guure Nacht,
- Wanneer ik 's winters waak;
- Want in de stille duisternis,
- Als ieder slaapt en rust,
- Is 't geen des daags verborgen is,
- Des nachts, mijn grootste lust? -
-
[p. 64]
-
- 'k Blijf dikwijls opgetogen staan,
- Als ik het stergewelf
- Aanschouw, bij 't licht der zilv're Maan,
- Dus spreekend in mij zelv', -
- ‘Hoe groot moet niet mijn Schepper zijn,
- Die zo veel Majesteit,
- Voor ons, in 's waerelds rampwoestijn,
- Bij dag en nacht, verspreidt.’.
-
- Zo dra de lieve dageraad,
- Zich aan mijn oog vertoont,
- Dank ik mijn God, dat hij voor kwaad,
- Mij heeft, des nachts, verschoond;
- Ik leg dan nog een' kleinen tijd,
- Mij op mijn rustplaats, neêr;
- En doe daarnaa 'k met lust en vlijt,
- Des daags, mijn' arbeid weêr.
-
- J.H. Csz.
|