[p. 67]

De wollennaaister.

 Wijze: Ach! hoe groot hoe vol vermogen &c.
  
 'k Moet bestendig zitten naaijen,
     's Morgens vroeg en 's avonds laat.
 Zou ik telkens loopen draaijen,
     Zo als and'ren, langs de straat?
 'k Moest mijn werk dan neder leggen;
     Neen, dit baarde mij verdriet;
 Want mijn klanten zouden zeggen:
     Zulk een naaister dient ons niet.
  
 Als ik eens nieuw werk kom haalen,
     Is 't altijd; och! help mij ras!
 En dan moet ik tijd bepaalen,
     Of 't het eenigst kleedjen was.
 't Is een zwakheid, niet te weeren,
     Heb ik 't zelv' niet wel gedaan?
 Ja, al hadt men twintig klêeren,
     't Nieuwtjen moet ten eersten aan.
  


[p. 68]

 
 Maar, wat kan het mij ook scheelen,
     Ieder schikk' het naar zijn zin.
 Waarom zou mij 't werk verveelen,
     Zoo 'k 'er slegts mijn brood meê win.
 Eéne stuiver (is 't niet aardig?)
     Die ik door mijn vlijt verdien,
 Is mij meer dan twintig waardig,
     Daar 'k voor moest naar d' oogen zien
  
 'k Leef in mijn geringe woning,
     Vreedzaam, welvernoegd, en vrij;
 'k Ben dus rijker dan een' Koning,
     Daar ik niemands lot benij'.
 Nimmer kan het mij verlaagen,
     't Geen ik doen moet voor mijn brood;
 In zijn' stand zich wel te draagen,
     Maak den mensch eerst waarlijk groot.
  
 't Werk heeft somtijds zijn vermaaken,
     Maar daar's moeite en zorg aan vast.
 't Is zo, als met alle zaaken,
     Alles heeft zijn' lust en last.
 't Kan toch ook mijne eerzugt streelen.
     't Wekt mijn' moed en ijver op,
 Als men zegt: dit zou men steelen,
     Kijk! dat kleed zit als een pop.
  


[p. 69]

 
 'k Zal dan vlijtig zitten naaijen,
     IJv'rig, willig, vroeg en laat.
 Van het ledig pierewaaijen
     Komt toch niets, dan alle kwaad,
 'k Zal bij 't werk eens lustig zingen,
     'k Ben nu regt van harte blij';
 'k Weet, de Schepper aller dingen,
     Zorgt voor elk - dus ook voor mij.
  
     Ma. V.H.