Op den laatsten Dag des Jaars.
- Stem: ô Zalig, Heilig Bethlehem!
-
- Deez' avond, die een' jaarkring sluit,
- Doet mij aan de Eeuwigheid gedenken,
- En noodigt mij tot danken uit,
- Voor 't heil, dat God mij wilde schenken
-
- Van mijnen vroegsten levensstond
- Bewaakte mij zijn wijze hoede,
- En, als ik rampen ondervondt,
- Bestuurde hij het kwaad ten goede.
-
[p. 70]
-
- Ondankbaarheid! 'k haat zelfs uw' schijn,
- Zou ik dan God geen offer brengen,
- Ach! mogt mijn dank gansch vlekloos zijn,
- En met der Eng'len toon zich mengen!
-
- Dan, 'k voel hier veel beschuldiging,
- 'k Heb 's Hemels weldaên vaak ontvangen,
- Terwijl een zwaare, struikeling
- Den dank kwam in mijn hart vervangen.
-
- Door zo veel voorspoed steeds verzeld,
- Stelde ik dien zegen op geen waarde,
- Ik werdt dus door 't verdriet gekweld
- Dat mij mijn ongenoegen baarde. -
-
- Hier door beledigde ik dien God,
- Die niets dan mijn geluk bedoelde,
- Wiens zorg voor mijn volzalig lot,
- Ik voelen kon, maar niet gevoelde.
-
- Vergeef dus, Vader! mijne schuld;
- Vergeef de veelheid mijner zonden!
- Daar 't hart, door waar berouw vervuld,
- Aan u voor eeuwig blijft verbonden.
-
- Versterk gij mijnen zwakken geest,
- Laat nimmer mijne deugd bezwijken,
- 'k Ben eens uw beeld gelijk geweest,
- Ach, mogt ik nog dat beeld gelijken!
-
[p. 71]
-
- Laat steeds de godsdienst van uw' Zoon,
- Mijn ganschen levenswandel richten;
- Zo vindt mijn ziel in zijn geboôn
- Den aangenaamsten aller pligten.
-
- Dan zal mijn ziel door u geleid,
- Den dood verwagten, nimmer vreezen,
- Verzeekerd, dat ze in d'Eeuwigheid,
- Vereenigd met heur' God zal weezen.
-
- J.V.W. Junior.
|