[p. 9]

Lof der Vriendschap.

 Wijze: Hoe lieflijk rijst gij uit de kimmen! enz.
  
     Ik zal uw' lof, ô Vriendschap! zingen,
 ô Troost, ô troost, en vreugd der stervelingen!
     Uw invloed schenkt aan 't welgesteld gemoed,
     Dat, zagt van aart, steeds menschen-liefde voedt,
          Een rein, een rein, een duurzaam zoet.
               Gij leenigt alle smarten
               Verdubbelt alle vreugd;
               En leert getrouwe harten,
 Vol moed, vol moed, gevaar en rampen tarten
     Waar gij regeert vlugt eigenbaat en nijd,
     Uw gloed verduurt den wisselenden tijd,
          ô Bron, ô bron van blijde deugd!
  


[p. 10]

 
          Onschatbaar heil van deze onze aarde!
 Verrukt, verrukt gevoelt mijn ziel uw waarde,
     ô Zagte balzem in het grievendst leed!
     Gij, die 't genot van al wat blijdschap heet
          Verhoogd, verhoogd mij smaaken deedt!
               Laat nimmermeer verkoelen,
               Het vuur dat gij ontsteekt!
               'k Zal steeds dien lof bedoelen:
 't Is grootsch, 't is grootsch voor and'ren te gevoelen.
     Zo blijk' het, dat, daar Vriendschap mij verbondt,
     Aan vrienden die mijn hart getrouw bevondt,
          Noch nood, noch dood, die banden breekt.
  
     Ma. V.H.