[p. 11]
De Gemoedsrust.
- Wijze: 'k Laat den Sultan, welgemoed, enz.
-
- Ach! wat is het leven zoet,
- Als men geen begeerte voedt
- Dan naar 't geen men kan bekomen,
- IJdle wenschen, dwaaze droomen,
- Kwellen nooit dat stil gemoed;
- 't Is vrij bis.
- Wangunst komt hem nooit op zij;
- Hij leeft altijd weltevreden,
- Door stille zeden, bis.
-
- Zie daar buurman Jan Tabak,
- Wint hij niet, op zijn gemak,
- Schoon niet rijk in huis of landen,
- 't Sober kostjen met zijn handen,
- Vrolijk met een leêgen zak,
- Ja, bis.
- Hoe 't ook op en ondergaa,
- Hij is altijd wel te vreden,
- Door stille zeden.
-
[p. 12]
-
- Daarentegen Piet de vrek,
- Heeft altijd een groot gebrek,
- Altijd nijdig op zijn buuren,
- Kan van onrust naauwlijks duuren,
- Roert altijd zijn' lasterbek,
- Hij snaauwt, bis.
- Daar hij buldert, knort en graauwt;
- Nijdig, morrend en te onvreden,
- Door laage zeden.
-
- Vrienden kiest den stillen vreê,
- Zij voert lieve blijdschap mêe,
- Zij doet lang en vrolijk leeven,
- Haar is 't waare heil gegeeven,
- Arm vernoegd en rijk gedwee,
- Is zij, bis.
- Staêg van bange zorgen vrij,
- Altijd blijd en wel te vreden
- Door stille zeden, bis.
-
- A.F.Sz.
|