[p. 13]
Het Geldhuwelijk.
- Wijze: Geld is 't beweegrad aller zaaken, enz.
-
-
- A.
- Hoe staat gij zo bedrukt te kijken,
- Heel anders, als een jaar geleên;
- Toen ge in een' koets daar aan kwaamt strijken
- Met honderd jongens om u heen.
-
-
- B.
- 'k Bid u; zwijg mij van die dagen,
- Toen begon juist mijne ellend.
- Ach! is mijn leed, door geen mensch te draagen,
- Nog aan mijn' buurman onbekend.
-
- Ik verwensch 't naar trouwen rijën
- Met die vergulde totebel.
- Ach! wist gij wat ik heb te lijën
- Van dat verschrompeld lelijk vel.
- 'k Heb haar om den splint genomen,
- Ik verhong me in Judas strop;
- Maar, ach! dat ik weêr van haar af kon komen;
- 'k Bedacht 'er mij geen omzien op.
-
[p. 14]
-
- 'k Moet dag aan dag verwijten hooren;
- ‘Door mij zijt ge in dien stand geraakt,
- Nog zoudt gij sukk'len, als te vooren,
- Had ik van u geen man gemaakt.’
- Wil ik eens een fles gaan drinken,
- Dan preêkt zij de maatigheid:
- ‘'k Zeg u; het zijn mijn' schijven, die 'er klinken,
- 'k Heb die daarvoor niet weggeleid.’
-
- 'k Mag van geen vrouw of meisjen spreeken,
- Of 'k zie heur rood gepuist gezicht,
- Door nijd en jaloezij verbleeken.
- Een oorvijg leert mij dan mijn' pligt;
- Ach! dan denk ik menigmaalen:
- Waar ik van die heks weêr af.
- Ach! mogt ik haar maar in den kuil zien daalen,
- Al zonk heur geld zelfs meê in 't graf.
-
- Zie ik dan meisjens van mijn' jaaren.
- Waar ik wel eens het oog op had,
- En die ik dwaas alleen liet vaaren,
- Om maar een weinig aardschen schat;
- 'k Zou van spijt dan knarsetanden,
- En verwensch mijn' droeven staat.
- Hoe draag ik best mijn harde huwlijksbanden?
- Ik bid u, Buurman! om uw' raad.
-
[p. 15]
-
-
- A.
- Ik wenschte, dat ik u kon raaden
- Doch uwe geldzucht heeft den schuld.
- Gij moet uw' vrouw nu niet versmaaden;
- Maar haar verdraagen met geduld.
- Anders, zal u elk bespotten,
- En men roept u na op straat:
- ‘Daar gaat 'er een van die bedroogen zotten;
- Ei, kijk; die geldwolf heeft het kwaad.’
-
- A.L.P.Z.
|