[p. 18]
De Zeeman.
- Wijze: Welk een genoegen zal 't mij geeven, enz.
-
- De zee alleen kan mij vermaaken,
- Ik vind aan land geen bezigheên,
- Dit doet mij staêg naar 't schip weêr haaken,
- Daar wordt verveeling nooit geleên,
- Daar moet men hijssen, sjouwen,
- En klimmen langs de touwen,
- Ach! wat geneugt
- Is 't vaaren ook geen deugd?
- Ik moet des nachts mijn' post bewaaken,
- Ik acht geen' regen, kou, noch wind,
- Die alles verslindt,
- Geen' wederstand vindt
- Wanneer hij begint,
- Door niemand bemind,
- Spaart vijand, noch vrind,
- Ontzind, ontzind, ontzind.
-
- Een ander, een ander
- Blijv' veilig aan den haard,
[p. 19]
-
- Een ander, een ander
- Blijv' veilig aan den haard,
- Toch is de zee mij waard! bis.
-
- Ben ik aan wal, ik moet verteeren,
- Al wat ik met mijn vaaren won,
- Ik kan toch spijs, noch drank ontbeeren,
- En, schoon ik mij behelpen kon,
- Ik haat het nutloos leven,
- 'k Heb mij ter zee begeeven,
- Ten dienst van 't land,
- Een schip moet zijn bemand,
- Zo dat, al kwellen mij veel rampen,
- Ik blijf tot vaaren even graag,
- En nimmermeer traag,
- Ik denk ook gestaêg,
- Dat ik dus behaag'
- Aan vriend en aan maag,
- Trotsch stormbui, en plaag,
- En vlaag, en vlaag, en vlaag.
-
- Een ander, een ander
- Blijv' veilig aan den haard,
- Een ander, een ander
- Blijv' veilig aan den haard,
- Mij is de wal niets waard. bis.
-
- A.F.Sz.
|