[p. 24]
Gezelschaps-lied.
- Wijze: Mijn lief, zo schoon als 't morgenlicht, enz.
-
- Ja, vrolijk is deze aarde alreê,
- Hoe treurig men haar vind',
- Wanneer de vriendschap en de vreê
- De menschen t'samen bindt;
- Wanneer geen twist of nijd
- Die banden stukken rijt':
- Dan kan deze aard' geen rampwoestijn,
- Maar wel een Eden zijn.
-
- Dat wij dan, op dit vriendschapsfeest,
- Gulhartig zijn verheugd!
- De zorge wijke uit onzen geest,
- Bij 't groeijen van de vreugd
- Daal blijdschap! als welêer,
- In 't midden onzer neêr!
- Deze aarde is toch geen rampwoestijn;
- Zij kan een Eden zijn.
-
-
[p. 25]
-
- Ons voorgeslacht, oprecht van aart
- Wees ons hier in het spoor,
- Komt volgen wij hen, ons zo waard!
- De braafheid ging ons voor:
- De frissche feest bokaal,
- Praalde op hun vriendenmaal,
- Bij hen kon de aard geen rampwoestijn;
- Neen! maar een Eden zijn.
-
- Hun feest was schielijk toebereid:
- Eenvouwige overvloed
- Schonk, voor banket, welmeenenheid,
- Het waare levens zoet.
- Geen arglist hieldt de wacht,
- Elk sprak gelijk hij dacht!
- Toen was deze aard' geen rampwoestijn;
- Maar moest een Eden zijn!
-
- Wij volgen ook der vadren trant,
- En schuwen de overdaad,
- Die pest van 't lieve Vaderland:
- Dien geessel van den staat.
- Elk spreekt gelijk hij denkt,
- Daar gulle vreugd hem wenkt:
- Voor ons is de aard' geen rampwoestijn;
- Wie kan hier treurig zijn?
-
[p. 26]
-
- Dat dan de frissche feest bokaal,
- Geschonken tot den rand,
- Klinke op des gastheers gul onthaal,
- En voor het Vaderland!
- De wijn gloeie als ons hart!
- Dat alle droefheid tart!
- Deze aarde is toch geen rampwoestijn;
- Laat ons dus vrolijk zijn!
-
- M.C.V.H.
|