De Schildertij vertooner.
- Wijze: Laatstmaal toen ik lag en sliep, enz.
-
- Zoete meisjens! komt tot mij,
- 'k Sta hier met mijn schilderij:
- Schoon, schoon, waarlijk schoon,
- Meesterächtig, sterk en krachtig,
- Schoon, schoon, waarlijk schoon,
- Is het stuk, dat ik vertoon.
-
-
[p. 27]
-
- 't Is geen stuk van d'ouden trant;
- Neen! die smaak is lang aan kant.
- 't Is, 't is, ja het is
- ô Zo streelend, niet verveelend:
- 't Is, 't is, en het is
-
- Vol van vinding; ja gewis.
- Lieve meisjens! dat gaat goed,
- 'k Zie hoe elk zich tot mij spoedt,
- Rijk, rijk, beeldenrijk,
- Vol van leering, ter bekeering,
- Rijk, rijk, beeldenrijk,
- Niets is aan dit stuk gelijk.
-
- Ik heb uit den burgerstand,
- Beelden op 't paneel geplant;
- Pracht, pracht, groote pracht,
- Naar mijn oordeel, u ten voordeel,
- Pracht, pracht, groote pracht,
- Wordt u hier voor 't oog gebragt.
-
- Als gij hier uw kleeding ziet;
- Lieve meisjens! haat mij niet.
- Vrij, vrij, 't staat mij vrij,
- Die verwildren, hier te schildren.
- Vrij, vrij, 't staat mij vrij,
- 't Zingen van de hovaardij.
-
[p. 28]
-
- Dan zie ik, ô welk geluk!
- Ieder reikhalst naar mijn stuk.
- Wel, wel, ô 't is wel,
- Scherpt uw zinnen, 'k zal beginnen;
- Wel, wel, ô 't is wel,
- Hoor naar 't geen ik u vertel.
-
- Wijze: Gij die thands met mij zijt ter jacht, enz.
-
- Hier ziet gij nu een gantsche schaar, ha! ha!
- Van burger dochters bij elkaêr, ha! ha!
- Zij houden meê een Theesalet,
- Wel he! wat heeft een ieder pret, ha! ha! ha!
-
- 't Gesprek schijnt haar aan 't hart te gaan, ha! ha!
- Dit toonen elks gebaarden aan, ha! ha!
- Geen wonder, want een ieder praat
- Van vrijerij en zwier en staat. ha! ha! ha!
-
- Wie ziet, aan d'uiterlijken schijn, ha! ha!
- Dat deze burger dochters zijn; ha! ha!
- Elk heurer is zo wijtsch gekleed,
- Als of zij 't geld met schepels meet. ha! ha! ha!
-
[p. 29]
-
- Deze eerste juffer op den hoek, kijk toe!
- Geheel gekleed in 't Neteldoek, kijk toe!
- Is dochter van een' winkelier,
- Zij heeft en draagt naar d'eersten zwier, zo fraai curieus en
mooi.
-
- En wat heeft deze een bovenlast, ha! ha!
- Zij draagt een pofdoek, of 't haar past, ha! ha!
- Een sjerp en een' Charlottehoed,
- Ei ziet eens wat een trotschheid doet! ha! ha! ha!
-
- Daaröp volgt Teuntjen Timmerhout, ô ja!
- Heur hair is wel niet hoog gebouwd, ô ja!
- Ze is echter vol van pronkerij,
- Een Goud-Horlogie op heur zij. ô ja, ô ja, ô
ja.
-
- Daar ziet gij Mietjen van der Naald, piek! piek!
- Zij heeft door 't oog der schaar gehaald, piek! piek!
- Die schoone sak, waar meê zij prijkt,
- Waarin zij een Mevrouw gelijkt. piek! piek! piek!
-
- Hier hebt gij Klaar, dat preutsche ding, let op!
- Gewis heur dragt is zonderling, let op!
- Een kapsel, dat voor niemand zwigt,
- Een langen kant voor 't aangezicht, let op! let op! let op!
-
[p. 30]
-
- Daar hebt gij, ... maar wat droes is dat, ô je!
- Veel meisjens kiezen 't haazen pad; ô je!
- Ik denk ik heb ze kwaad gemaakt,
- En mooglijk op heur zeer geraakt, ô je! ô je! ô
je!
-
- Gij meisjens, die zijt blijven staan, goed! goed!
- Gaat u mijn stuk in 't minst niet aan? goed! goed!
- Ik zie hoe hartlijk dat gij lacht,
- Die gekscheert met der burgren pracht. goed! goed! goed!
-
- Uw kleeding dragt is, buiten kijf, ha! ha!
- Niet al te zwierig, noch te stijf, ha! ha!
- Gij kleedt u naar uw' rang en staat;
- En houdt dus juist de middenmaat. ha! ha! ha!
-
- De meisjens, die zo zwierig zijn, ô ja!
- Gewis heur grootheid is maar schijn, ô ja!
- Heur tas is doorgaands slegt gesteld:
- 't Zijn diepe zakken en geen geld. ô ja! ô ja! ô
ja!
-
- Hoe menig jonkman wordt bedod, ô je!
- Raakt hij op zulk een meid verzot, ô je!
- Hij krijgt een vrouw, vol hovaardij,
- Maar naar heur pracht geen geld 'er bij. ô je! ô je!
ô je!
-
[p. 31]
-
- Dan, 't is thands tijd dat ik vertrek, ja! ja!
- En uw geduld niet langer rekk'. ja! ja!
- 'k Leg u mijn stuk wel nader uit;
- Maar zing dees regels tot besluit: hoort! hoort! hoort!
-
- Wijze: Laatstmaal toen ik lag en sliep, enz.
-
- Niets voegt beter aan een maagd,
- Dan dat zij een kleeding draagt,
- Naar, naar, en wel naar,
- 's Ouders neering, en handteering;
- Naar, naar, en wel naar,
- 's Vaders handwerk, is 't niet waar?
-
- Wordt een zwierig burger kind,
- Om heur kleeding juist bemind?
- Deugd, deugd, schoone deugd,
- Kuissche zeden, nedrig kleeden;
- Deugd, deugd, schoone deugd,
- Is de bloem en pracht der jeugd.
-
- J.H.
|