[p. 32]
Het vrolijk Melkmeisjen.
- Wijze: Wat is ons al vreugd gegeeven, enz.
-
- ô Hoe wel ben ik te vreden
- 'k Ben de hut stil uit getreeden,
- En mijn goede vader sliep,
- Of 't nog nacht was, ô zo diep.
-
- Bij het vee hier neêrgezeten
- Heb ik reeds mijn bed vergeeten,
- Eer de zon, langs veld en vliet,
- Nog heur goude straalen schiet.
-
- 'k Hurk bij 't vee hier vrolijk neder,
- En ik zing, al melkend, weder,
- Daar reeds uit het purper oost,
- Mij de morgen tegen bloost.
-
[p. 33]
-
- En waarom toch zou ik zwijgen,
- Daar de leeuwrik, onder 't stijgen,
- Met zijn' zang, zo schel en zoet,
- 't Blijde morgenlicht begroet.
-
- 'k Hoor alom de mellekkoeijen,
- Zelfs van gulle blijdschap loeijen,
- En het haangekraai alom,
- Heet den ochtend wellekom.
-
- ô Hoe tierig, ô hoe weelig,
- Hoe voorspoedig, hoe voordeelig,
- Gaat het met mijn 's vaders vee!
- Zegen woont aan deze steê.
-
- Zegen woont toch bij de vroomen,
- 'k Zie van verre hem reeds komen,
- 'k Dien den goeden ouden man,
- Zoveel als ik mag of kan.
-
[p. 34]
-
- 'k Zou heel gaarne Krelis trouwen,
- 'k Zie wel kans om huis te houën,
- Maar het is die oude man,
- Dien ik niet verlaaten kan.
-
- Altijd ben ik vlug en lustig,
- Nimmer is mij 't hart onrustig,
- Geef, ô Hemel! mij nog lang,
- Stof tot zulk een blij gezang.
-
- Maar nu komt mijn grijze vader,
- Mij allengskens meerder nader,
- ô Hoe lacht hij mij reeds toe! -
- 'k Ben al aan mijn vijfde koe.
-
- A.L.P.Z.
|