[p. 37]
Elk heeft zijn speelpop.
- Wijze: Laatstmaal toen ik lag en sliep, enz.
-
- Ieder heeft zijn afgodsbeeld,
- Elk een pop, waar hij meê speelt. :/:
- Geld, geld, ja, 't is 't geld,
- Door wat wegen 't zij verkreegen;
- Geld, geld, ja, 't is 't geld
- Waar een vrek zijn hart op stelt.
-
- Is 't een jonker, vederkap,
- Kruidig op zijn ridderschap; :/:
- Bloed, bloed, aardlijkbloed,
- Rein uit de aedren veeler vaedren;
- Bloed, bloed, aadlijkbloed
- Keurt hij voor zijn dierbaarst goed.
-
- Is 't een trotschäart, fier en stout,
- Die zich lugt-kasteelen bouwt; :/:
- Staat, staat, hooge staat,
- Gantsch doorluchtig en roemrugtig;
- Staat, staat, hooge staat,
- Zweeft hem altijd voor 't gelaat.
-
[p. 38]
-
- Is 't een zot, vol hovaardij,
- Die de waereld hangt op zij'; :/:
- Pragt, pragt, zwier en pragt,
- Praal-vertooning, trotsch een koning;
- Pragt, pragt, zwier en pragt
- Overpeinst hij dag en nagt.
-
- Is 't een ligthart, die zijn' smaak
- Vindt in weeldrig lijfs vermaak; :/:
- Cier, çier, goede çier
- Banketteeren, lustig smeeren;
- Cier, çier, goede çier,
- Dat is regt zijn levens-tier.
-
- Gaa ik verder regt door zee,
- 'k Heb gewis mijn popjen meê: :/:
- Lief, lief, zoetste lief!
- Schat vol waarde, puikje op aarde;
- Lief, lief, zoetste lief!
- Gij, gij zijt mijn hartedief!
-
- Engel, ja, ik min u teêr;
- Maar, nogthands, in deugd en eer: :/:
- Trouw, trouw, gantsch getrouw,
- Wars van streeken, vuile treken;
- Trouw, trouw, gantsch getrouw
- Kleeft aan u dit hart, jongvrouw!
-
[p. 39]
-
- Daaglijks klinkt uw liefst gezang,
- Daar ik steeds dien toon vervang: :/:
- ‘Deugd, deugd, blanke deugd,
- Kuische zeden, nette treeden;
- Deugd, deugd, blanke deugd
- Is de grondslag aller vreugd.’
-
- Dus veréénigd, welk een lot
- Valt ons dan te beurt van God? :/:
- Heil, heil, driemaal heil
- Zal ons kroonen, en beloonen;
- Heil, heil, driemaal heil,
- Heeft dan de echtstaat voor ons veil!
-
- J.D.
|