[p. 40]
De Pijpen-maaker.
- Wijze: Wat is het schoon enz.
-
- Ik maak een pijp, uit brooze klei en aarde,
- En leer hoe broos het leven is,
- Daar het aan mij nog zoete blijdschap baarde,
- Voegt aan mij ook de erkentenis,
- Om dat 'k nog vrolijk werken mag,
- En 't brood verdien op iedren dag.
bis.
-
- Zijn wij dan 't saam ter winkel neêr gezeeten,
- Het zij bij dag, of bij de lamp,
- Laat ons in 't werk dan nimmermeer vergeeten,
- Dat ons leven is als een damp;
- De pijp die dus onze aandagt wekt,
- Is 't die aan ons tot leering strekt.
bis.
-
- Zouden wij dan de dronkenschap beminnen?
- Of lasterzucht ten dienste staan?
- Neen! vrienden, neen! wij zullen ons bezinnen,
- En 't kwaade voorbeeld tegengaan,
- Die naarstig werkt, en zuinig leeft,
- Is 't die des winters voedsel heeft.
bis.
-
[p. 41]
-
- Niets zal ons dan in naarstigheid verhind'ren,
- Men zie, gestadig werkend, toe,
- Zorg dus, vol vlijt, voor onze vrouw en kindren,
- Dat elk hen voor 't gebrek behoê;
- En Kasten wij, zij tremmen
meê,
- Zij passen op de scheur en gleê
bis.
-
- Laat ons te saam, bij 't vormen, of bij 't
rollen,
- Bij 't wijeren, oplettend zijn;
- Zo blijft ons werk, bij 't glazen en bij 't
snollen,
- Geroemd aan 't IJ, en Maas en Rhijn;
- Zo is 't dat pijpenmaakerij,
- Aan ons tot nut, en voordeel zij.
bis.
-
- J.B.
|