De gevonden kant.
- Wijze: Gij, die thands met mij zijt ter jagt, enz.
-
- Laatst vond mijn lief een mooije kant, zo blij!
- Zij greep haar ijlings met de hand, zo blij!
- Zij hieldt ze een poosjen voor 't gezicht,
- En overkeek ze, op naauwst bij 't licht, zo blij, zo blij, zo
blij!
-
[p. 42]
-
- Zij riep ‘Wat kostelijke vond!’ zo blij!
- En drukte 't kantjen aan heur' mond, zo blij!
- ‘ô Vriend! ziedaar, nu kan ik
mooi
- Eens pronken met dien juffrentooi, zo blij, zo blij, zo
blij’!
-
- ‘Neen’ (sprak ze) ‘'k heb 't wat beter voor, zo
blij!
- 'k Weet wie dit kantjen korts verloor, zo blij!
- Kom, brengen wij 't weêröm aan
Stijn;
- Jawel, dan zal dat meisjen zijn, zo blij, zo blij, zo
blij!’
-
- ‘Dat 's trouw! dat 's eerlijk!’ riep ik uit, zo
blij!
- ‘Mijn Engel, 'k roem uw braaf besluit, zo
blij!
- ô Puikjuweeltjen voor uw' vriend!
- Gij hebt een lekkren kusch verdiend, zo blij, zo blij, zo
blij!’
-
- Nu kuschte ik haar zo zagt, zo teêr; zo blij!
- Zij schonk mij gul een kuschjen weêr; zo
blij!
- Toen trippelden wij, hand aan hand,
- Naar Stijntjen toe, met Stijntjens kant, zo blij, zo blij, zo
blij!
-
- J.D.
|