[p. 46]
De Melkmeisjens.
- Wijze: Laatstmaal als ik in 't Maisaisoen.
-
- Kom, Kniertjen zus, ontwaak mijn kind,
- 't Wordt tijd de dag breekt aan.
- Ei zorg dat gij uw kleedren vindt,
- En trekze schielijk aan;
- Ik hoorde Grietjen al,
- De meid van buurman Jan,
- En Piet roept: Pleun: wat binje mal,
- Kom spoed u brengt de kan.
-
- Nu Kniertjen haast u, repje dan,
- Het melkgoed staat gereed,
- De knegt komt met de koeijen an,
- 't Is laater als gij weet:
- Zo aanstonds komt de zon,
- Ik zie reeds 't morgen rood,
- Ach! dat ik maar aan 't melken kon,
- Het melken geeft ons brood.
-
[p. 47]
-
- De koeitjens bulken in het veld,
- Heur uijers zijn gelaên,
- Gij weet, vaêr is 'er opgesteld,
- Dat wij vroeg melken gaan.
- 't Past aan geen boere meid,
- Dat zij heur' tijd verslaapt,
- Gij weet wat men van Neelbuur zeit,
- Die smorgens geeuwt en gaapt.
-
- De luiheid wordt bij elken stand,
- Met recht verfoeid, gehaat,
- Maar 't is voor boeren op het land,
- Het schandelijkste kwaad:
- Die traag zijn werk verricht,
- Heeft zelden veel geluk,
- Maar dien voldoet aan zijnen pligt,
- Kwelt spaarzaam leed of druk.
-
- Gij weet hoe Jan, de knegt van Krijn,
- Was ijvrig in zijn werk,
- Hij huwde met Jan Keessens Trijn,
- De knaap was vlug en sterk,
- Zij bragt geen huwlijks goed,
- Maar sloofde vroeg en laat,
- Altoos volijvrig, wel gemoed,
- Nu zijnze liên in staat.
-
[p. 48]
-
- Zij namen trouw heur' kerkgang waar
- En deeden d' armen wel,
- Trijn kreeg een kindjen alle jaar,
- De oudste, Pieternel,
- Is nu pas twalef jaar;
- Zij schrijft al goed en leest,
- Zij woont en werkt bij beste vaêr,
- Ze is altoos blij van geest.
-
- Dit is de vrucht van naarstigheid,
- Dit is het loon der deugd,
- Nu, Kniertjen zus! nu lieve meid!
- Nu wakker aan met vreugd:
- Verdubblen wij de vlijt,
- Dan wordt de schâ vergoed,
- Het wel besteeden van den tijd,
- Geeft een gerust gemoed,
-
- D.S.
|