|
|
|
| |
| | | |
Kerslied.
Wijze: In een boomgaard Colinette.
Jezus, dien alle Englen eeren,
Jezus, Gods geliefde Zoon,
Wil zich tot de menschen keeren,
En daalt van zijn hoogen troon:
Om ons hier op aard te leeren,
's Hoogsten wetten en geboôn.
Hoort, hoe blijde de Englen zingen!
‘God zij eeuwig lof en eer!
Bij de zaal'ge Hemellingen;
Vrede daale op aarde neêr.
Vreugde moet den mensch doordringen,
Tot hem komt der Heeren Heer.’
| | | |
Jezus wordt als mensch gebooren,
Uit eene onbevlekte maagd;
Hij, van wien reeds lang te voren,
Zondaars! gij die waart verlooren,
Juicht, daar thans uw heilzon daagt.
't Opgeklaardste denkvermogen
Blijft met diepen eerbied staan;
Ziet het al de wond'ren aan,
Die Gods liefde en mededogen,
Voor het menschdom heeft gedaan.
Zoude ik u niet dankbaar prijzen,
Dierbre Jezus! heil der aard?
Zou uw lof niet opwaards rijzen,
Met der Eng'len zang gepaard?
't Minst van alle uw gunstbewijzen,
Is den hoogsten lofzang waard.
|
|
|