|
|
|
| |
De schoonmaakster.
Wijze: Zonder liefde, zonder wijn.
'k Zit hier op de stoep en wagt.
Ja! al ligt zij warm en zagt,
'k Moet haar slaap toch stooren.
'k Schel nog eens - het wordt ook tijd,
't Zou mij haast verveelen.
Als ik hier den tijd verslijt,
Zou ik 't dagloon steelen.
| | | |
'k Heb ook nog zo veel te doen,
Eerst de trap en 't zaaltjen,
Daar ik alles schoontjes boen,
'k Moet nog schuuren - nat, en droog,
Keuken zelfs - en kelder -
En niet slegts zo wat voor 't oog,
Jufvrouw gaat mij wel niet naa,
Dat zij, als ik heenen gaa,
'k Word van haar zo wel beloont,
't Is dan billijk, dan men toont
Zelfs zijn pligt te weeten.
'k Denk wel eens; het valt toch zwaar,
Had ik werk voor 't gansche jaar,
Ik kwam 't eens te boven.
Maar van 't geen ik zomers win,
Moet ik 's winters leeven.
En dan heeft het moeiten in,
| | | |
Maar dit krenkt geenzins mijn' moed,
'k Ben toch wel te vreden.
Heb ik dan geen overvloed,
Zijn mijn kleêren eens wat slegt,
't Schaadt niet, als slegts ieder zegt:
Ze is toch schoon en knapjens.
'k Ben gezond en vlug en sterk,
'k Win mijn brood met eeren.
Als ik trouw ben in mijn werk
Daar geen mensch mijn lot benijdt
'k Schel nog eens - waar blijft de meid,
Zagt.. daar zal ze weezen.


|
|
|