|
|
|
| |
| | | |
Het Huwelijk.
Men smaakt 't genoegen best op aard,
Wanneer de liefde ons zamen paardt,
Dan vreest men leed noch druk.
Deelt men met dankbaarheid.
Die rust bevordert in 't gemoed,
Een kalmte in voor- en tegenspoed,
Daar liefde 't hart voldoet.
Hoe zoet is 't niet, als man en vrouw,
Daar onderlinge liefde en trouw,
Dat de een des and'ren fout bedekt,
En 't huisgezin ten voorbeeld strekt,
Elks achting tot zich trekt.
| | | |
Men werkt dan zamen wel te vreên,
Voor 't onderling belang.
En vindt in nutte bezigheên,
Bevrijd van zorg of dwang,
Die men met lust verricht,
Een waar genoegen, dat ons streelt,
En maakt dat nooit de tijd verveelt
Wijl men dien goed verdeelt.
Is een van beiden ziek of zwak,
En lijdt men smart en pijn;
Al heeft hij leed en ongemak
't Zal hem toch troostlijk zijn,
En liefderijke hulp geniet
Die tot verzagting van 't verdriet,
Door trouwe zorg geschiedt.
Ontdekt men somtijds, tot zijn smart,
Aan hem, dien men bemint,
Verkeerdheid in verstand of hart,
Die hem zo sterk verblindt,
Dat hij de deugd verzaakt;
En slegt en slordig van gedrag,
Zijn' pligt verwaarloost, dag aan dag,
Hoe sterk z' ook spreeken mag.
| | | |
Met zagtheid, reden, klem van taal,
Bestrijdt men de ondeugd best:
De Godsvrugt leidt in zegepraal,
Hem nog te rug, op 't lest.
Den ernst met wijs beleid,
Terwijl het hart inwendig kwijnt;
En wenscht, dat eens die dag verschijnt,
Waarop zijn rouw verdwijnt.
Dus leeft men in den echten staat
Door God zelfs ingericht;
En schoon ze ons van geen ramp ontslaat
Het drukt met min gewigt;
En uitziet naar 't bestendig goed
Dat God het deugdzaam, trouw gemoed

|
|
|