|
|
|
| |
| | | |
De Bruids moeder.
Wijze: Toen ik laatstmaal in 't Maisaizoen.
Wat ben ik in mijn hart verblijd!
Ik smaak een zoete vreugd;
Nu Jaantje, binnen korten tijd,
Zo minzaam als vol deugd,
Met Braafharts oudsten knegt;
't Is zulk een snedig jongeling
Maar nu gebiedt mijn moederpligt,
Dat ik haar eens ontvouw,
Het geen ik acht van veel gewigt,
Hoe dat men in dien staat,
En daar men jong en onbedacht,
Dan zo geen acht op slaat.
| | | |
Het eerst dat ik haar zeggen wil,
Is: schuw het huiskrakkeel:
Want wagt ge u voor het eerst verschil,
Dan wint gij waarlijk veel.
Voer nimmer 't hoogste woord,
Wijl zulks des man behoort:
Hier door kunt gij veel twist ontgaan,
Die 't zoet des vredes stoort.
Met vreugd voeg ik 'er dan nog bij:
Dat vlijtigheid haar past:
Dat dit den man verligting zij,
In 't dragen van zijn' last.
ô 't Brengt voor 't huisgezin,
Aanmerkelijk voordeel in,
Als man en vrouw te zamen werkt,
Ik zal haar raaden, dat ze let
Dat alles zindlijk zij en net,
Een vrouw, die slordig leeft;
Verwaarloost wat zij heeft.
Daar ze aan heur man en huisgezin,
Een schaadlijk voorbeeld geeft.
| | | |
Ik zeg haar dan voor eerst genoeg;
Zij heeft toch ook verstand.
Voor and're dingen is 't te vroeg,
Kwam eens die blijde dag,
Dat 'k haar als moeder zag:
'k Gaf haar dan weêr den besten raad,
Die 't Moederhart vermag.

|
|
|