|
|
|
| |
| | | |
[Tweede stukjen]
De Geboorte van 's waerelds Heiland.
Wijze: Hoe schoon ligt ons de Morgenstar.
Thans vieren wij den grooten dag,
Waarop men weêr herdenken mag,
Die eeuwig heerscht in 't godlijk rijk,
Wierd, om den mensch, een mensch gelijk:
Wat heil is ons beschoren!
Voor hem neder, die zo teder,
Zich in liefde wilde erbarmen.
| | | |
ô Wonder! al onz' eerbied waard,
God is in 't vleesch geopenbaard;
Wie kan 't geheim doorgronden?
De Vorst en Heer van 't groot heeläl,
Rust nedrig in een beestenstal,
Met slegt gewaad omwonden.
Deze waarheid; doch haar klaarheid,
'k Bid slegts aan, in 't stof gebogen.
Hier blijkt Gods liefde in al haar kragt:
Hij heeft aan 't menschelijk geslacht
Zijn eigen Zoon gegeeven;
Die Zoon, der Englen eerbied waard,
Heeft ons zijns vaders wil verklaard,
Ons vertrouwen, op hem bouwen,
Jezus zal ons bijstand schenken.
| | | |
Een Eng'len rei daalt van om hoog,
En vestigt het verwonderd oog,
Zij juichen: God zij eeuwige eer!
Hij schenkt den vrede aan de aarde weêr
Den Mensch zijn welbehagen.
Aarde en Hemel, daar 't gewemel,
Met den Mensch zijn lof wil paaren.
En zou dan niet mijn dank'bre ziel,
Daar ons dit heil te beurte viel,
Mijn God eerbiedig prijzen?
Mijn hart en mond brengt, blij te moê
Mijn Heiland! u het offer toe,
Heel mijn leven; wil mij geeven,
Eeuwig - Eeuwig u te loven.
|
|
|