|
|
|
| |
Het Geduld.
Wijze: Laatstmaal had ik mij begeven.
Wat is 't geduld van eene onschatb're waarde!
Daar het den mensch in al zijn tegenspoed
In al het geen hem anders kwelling baarde
Bedaardheid schenkt, en een gerust gemoed;
Dat hem de nijd dan vrij den moedwil toon',
Zijn hart is reeds aan lijdzaamheid gewoon.
| | | |
Het taai geduld doet woeste drift bedaaren,
Als men die met verstand en oordeel leidt,
Het kan den mensch voor naberouw bewaaren,
Wijl het den grond legt aan voorzigtigheid.
Het is een deugd, die 't edel hart versiert,
Als het de denktrant en de daên bestiert.
Geen mensch op aard', hoe hoog in magt verheven
Wiens wil aan elk ten strengen wet verstrekt;
Kan hier gerust, veel min gelukkig leeven,
Als ieder kleinigheid zijn driften wekt.
Terwijl zijn hart, door valschen waan verblind,
In elken mensch voor zich een vijand vindt.
Maar hoe gerust, hoe innig wel te vreden,
Hoe sterk van ziel in alle droeffenis,
Kan niet de mensch zijn loopbaan hier betreden,
Wanneer 't geduld zijn leidsvrouw is?
Het schenkt zijn ziel een uitzicht in 't verschiet,
Waar van hij hier reeds waaren troost geniet.
| | | |
Ik wil mijn drift voordaan met moed bestrijden,
Wijl dit mijn waare heil bedoelt
'k Zal mij altoos voor felle gramschap mijden,
Of schoon mijn hart het onrecht voelt
Hoe 't mij ook treff' te lijden zonder schuld;
Mijn wapen zij een christelijk geduld
|
|
|