Volks-liedjens, uitgegeeven door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (5 delen)


auteur: anoniem Volks-liedjens van het Nut


bron: Volks-liedjens, uitgegeeven door de maatschappij: Tot nut van 't algemeen (vijf delen). Harmanus Keijzer en anderen, Amsterdam 1789-1807  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 28]

Kwaadsprekenheid.

 
Wijze: Eenzaam bosch.
 
 
 
Haatlijk monster! dat de wetten
 
Van menschlievenheid vertreedt!
 
'k Zal mij tegen u verzetten;
 
Gij, die niets dan onheil smeedt.
 
Die de teêrste vriendschaps banden,
 
Onmeêdogend aan durft randen;
 
U verheugt in 's naasten leed.
 
 
 
Stoorster van den lieven vrede,
 
Snoode pest der Maatschappij!
 
Gij voert twist en tweedragt mede;
 
Wijk voor eeuwig, ver' van mij.
 
'k Zet een wagt voor mijne lippen;
 
Nooit moet mij een woord ontglippen,
 
Dat tot iemands nadeel zij.
 
 
[p. 29]
 
't Is vergeefsch zich te beroemen,
 
Dat men aan zijn pligt voldoet.
 
Of zich deugdzaam, vroom te noemen,
 
Als men met een valsch gemoed,
 
Onder schijn van 't kwaad te haaten,
 
Door een ieder te bepraaten,
 
Steeds zijn laage trotschheid voedt.
 
 
 
Past het mij, die onberaden,
 
Dikwijls 't regte spoor ontwijk,
 
Dat ik over 's naasten daaden,
 
Een vermetel vonnis strijk:
 
Of dat ik van zijn gebreken,
 
Bij een ieder zal gaan spreeken,
 
Slegts op dat mijn praatzucht blijk'.
 
 
 
Liefde zal gebreken dekken,
 
Leez' ik in Gods heilig woord;
 
Mogt dit elk ten spiegel strekken,
 
Wijl 't tot onzen pligt behoort,
 
Ieder Mensch met hart en zinnen,
 
Als ons zelven te beminnen!
 
Dan wierd nooit de vreê gestoord.
 
 
 
Ma.V.H.