|
|
|
| |
| | | |
De oude Dienstmaagd, op 't Hofjen.
Wijze: 't Best op aard is het genoegen.
ô Hoe kort is 't nog geleden,
Dat ik in mijn dienstbaarheid
Aan mijne dag-werk mogt besteden,
IJver, kragten, lust en vlijt.
'k Had genoegelijke dagen,
't Volk geen reden om te klagen:
'k Gaf hem nimmer kwaad bescheid.
k Heb altijd bij braave menschen,
Schoon geen rijke liên gewoond.
'k Had al wat ik slegts kon wenschen;
Maar ik heb ook steeds getoond,
Dat ik trouw was in mijn pligten
't Werk met ijver wou verrigten,
'k Heb mijn nachtrust nooit verschoond.
| | | |
Eertijds in mijn jonge jaaren,
Toen ik nog maar weinig won,
Moest ik zuinig 't loon bespaaren,
Dat ik mij goed kleeden kon:
Wie dagt toen aan zulke grillen,
Daar de meisjens't geld meê spillen,
Linten, strikken of japon.
k Had een lief, mooij zondags pakjen
Daar ik wel meê kon bestaan.
Daag'lijks een eenvoudig jakjen,
'k Hield van wollen onderkleêren;
Linnen kon ik niet ontbeeren,
Wilde ik net en knapjes gaan.
Had ik eens verval gekreegen,
Als mijn volk gezelschap had;
'k Heb het aanstonds weggelegen;
Want dit was mijn grootste schat
Om voor ziekte en voor bezwaaren,
Of den ouden dag te spaaren,
Dat ik dan nog iets bezat.
| | | |
Ja wat heb ik lange tijden,
In mijn laatsten dienst geweest!
Jufvrouw mogt mij heel wel lijden,
En ik won bij haar het meest;
En schoon stijf en stram van leden,
Is zij altoos toch te vreden,
Met mijn goeden wil geweest.
't Volk heeft ook hun woord gehouden,
Zo als eertijds was beloofd;
Dat zij mij bezorgen zouden,
Was ik oud en afgesloofd;
Hier heb ik een vrije wooning,
Eetb're waaren en verschooning,
k Zet nu 't zorgen uit mijn hoofd.
Dus verkreeg ik door Gods zegen,
Na het werk een zoete rust;
Niets maakt mij nu meer verleegen,
'k Ben mij van geen kwaad bewust:
't Leven wil ik nu besteeden,
Geef, ô God! mij kragt en lust!
|
|
|