|
|
|
| |
| | | |
De braave Moeder.
Wijze: Waar of mijn Rozelijntje blijft?
Ei zie! wie had het ooit geloofd?
Nu zwijgt het guitjen stil.
Hij heeft alreê zijn kleine hoofd,
Daar hij naar leeven wil.
En geef ik hem van daag zijn' zin,
Dan dwingt hij morgen weêr.
't Is best, daar ik zijn welzijn min,
Wanneer een kind in 't eerste jaar,
Zijn' zin in alles heeft;
In 't tweede wordt men reeds gewaar,
Als Moeder alles aartig vindt,
Of 't dwingt, of slaat, of smijt;
Zoo raakt zij dra bij 't wrev'lig kind,
| | | |
'k Bestuur, terwijl ik Moeder ben,
Mijn Kindren naar mijn pligt.
En daar ik elks geaartheid ken,
Valt mij die moeite ligt.
Vier Kind'ren, vierderlijen aart;
Dit neem ik steeds in acht.
Zij zijn mij even lief en waard;
Maar zijn niet even zagt.
Dien ik met zagtheid leiden kan,
Krijgt nooit van mij een' slag.
Doch maakt men kwaad gebruik daar van,
'k Bewaar dan mijn ontzag.
't Vertrouwen heb ik onbeperkt,
En nimmer heb ik nog bemerkt,
'k Straf niets zo streng, dan logentaal,
Ofschoon 't om bestwil heet.
Terwijl ik steeds die les herhaal:
Daar 's Een, die alles weet.
Dit vormt hun hart voor trouw en deugd;
En zegent God mijn vlijt,
Dan leg ik, in hun ted're jeugd,
Reeds 't zaad van eerlijkheid.
| | | |
Ik zeg hen, dat, wie vlijtig leert,
Wie naar Gods wil zijne oud'ren eert;
En, daar vooral het voorbeeld stigt,
Acht ik het steeds mijn' duursten pligt,
Om wel te doen met vreugd.
Hun vader, die, den ganschen dag,
Moet slooven voor de kost;
En t'huis dan wel eens rusten mag,
Betrouwt aan mij dien post.
En vindt hij dan het kleine goed,
Terwijl 't hem streelt en kuscht,
Gezeg'lijk, vrolijk, lief en zoet,
ô! Dat 's zijn grootste lust.
Doet elk zijn pligt, dan gaat het wel,
Mijn kindren zijn mijn vreugd.
Ach! dat Gods gunst hen steeds verzell'
En houde op 't spoor der deugd.
Dan smaak ik nog in de Eeuwigheid,
De vrugten van mijn trouw en vlijt,
Als God mijn werk bekroont.
|
|
|