|
|
|
| |
| | | |
Kermiszang
Wijze: Schoone beemden! Zalig veld!
Was niet steeds de Kermistijd,
Aan de blijdschap toegewijd?
Zouden we ons dan niet vermaaken?
Zou de deugd de blijdschap wraaken?
Zeker neen! de gulle vreugd
Zeker neen! de gulle vreugd
Stemt het hart voor blijde deugd.
Zij die in den dienstbren staat,
Dag aan dag, en vroeg en laat,
Werken, slooven, slaaven, zwoegen,
Wagten jaarlijks op 't genoegen,
Dat hen eens gebeuren mag,
Dat hen eens gebeuren mag,
Op hun blijden kermis-dag.
| | | |
Braafhart, die voor vrouw en kind,
Slechts het sober kostjen wint,
Heeft een kermis-gift ontvangen:
Kuscht zijn wijfjens bolle wangen,
Liefste, zegt hij, 't moet 'er aan;
Liefste, zegt hij, 't moet 'er aan,
'k Wil met u te kermis gaan.
Zelfs de huisman, die het veld
Boven stads vermaaken stelt,
Wil toch ook de kermis vieren;
Kees moet met zijn Maartjen zwieren.
Japik moet met blanke Neel,
Japik moet met blanke Neel,
Lustig danssen voor de veel.
Gulle Vaderlandsche jeugd!
Wil slechts, bij uw kermisvreugd,
Nimmermeer de Deugd verzaaken:
Kies de nuttigste vermaaken;
Zorg, dat nooit de vrolijkheid,
Zorg, dat nooit de vrolijkheid,
U van 't spoor der reden leid'.
| | | |
Wees dan vrolijk, lach en zing,
Vreugde voegt den sterveling,
Die zich met een goed geweeten
Van zijn pligten heeft gekweeten.
Zeker ja! de gulle vreugd
Zeker ja! de gulle vreugd
Stemt het hart voor blijde deugd.

|
|
|