|
|
|
| |
| | | |
De Zeemansvrouw.
Wijze: O zon! aan 's Hemels trans.
Mijn man, mijn beste vrind,
Die mij zo hartelijk mint,
Schreef mij deez' brief uit Tessel:
Mijn man! mijn beste vrind!
Gij zaagt u voor 't geweld
Van storm en zee beschermen;
Denk hoe u Doortjen wacht,
Denk, hoe u Doortjen wacht.
Voer hem mijn wooning in.
Hoe zal het hart hem kloppen,
Wanneer zijn oog ontdekt,
Hoe, binnen weinig dagen,
Zijn vreugd nog klimmen zal,
Mijn eenigst welbehaagen!
| | | |
En wijk niet van mijn zij,
Wanneer het uur zal komen,
Verhoort mij de Albehoeder,
Ras zien we ons, liefste vrind!
Wie klopt, wie klopt daar aan?
Ik voel mijn hart zo slaan,
Ach Jacob! mogt gij 't weezen;
Hij klopt, hij klopt daar aan,
Hij groet zijn' reisgenoot,
Herstellen we ons intusschen;
Die vreugd vergoedt de smart.
Ik wacht hem aan dit hart,
Met reine liefde-kusschen.
Mijn vriend! val aan dit hart.

|
|
|