|
|
|
| |
| | | |
[Vierde stukjen]
De braave Man.
Wijze: Schoon bloemgewas, enz.
Wat leeft mijn buurman Jan, vernoegd,
Te vreeden met zijn' staat.
Doet nooit wat slechts aan grooten voegt,
De man werdt rijk voor eerlijk zweet:
Is hij 't die armen dekt en kleed,
En helpt en voedsel geeft.
Hij leefde Gode en mensch ter eer,
En was nooit trots als meenig Heer
Schoon zonder geld en deugd;
Hij is een vijand van de pracht
‘Tot zulk een' laagte heeft gebragt,
Tot veeler leed en schand.’
| | | |
Nooit pronkte hij met goed of geld,
Dong naar geen' hoogen staat;
Maar is ook niet ten doel gesteld
Aan hoofschen gunst of haat:
Hij eert altoos zijn overheid,
Betaalt haar schot en lot.
En, daar hij haar nooit vloekt of vleit,
Vreest hij alleen zijn' God.
't Genoegen en de vrede woont
Met welvaart in zijn huis:
Gods goedheid, die de deugd beloont,
Bevrijdt voor ramp en kruis,
Schonk hem een lieve braave vrouw
En kindren heusch van aart,
Die 't voorbeeld volgen en de trouw
Het Vaderland beroem' zig vrij
De deugd vormde in een effen pij
Volgt dan Bataven! volgt zijn spoor
Ontvliedt de weelde en pracht;
Weest deugdzaam voor u zelf en voor

|
|
|