|
|
|
| |
| | | |
De Zeeman.
Wijze: Welk een genoegen zal 't mij geeven, enz.
De zee alleen kan mij vermaaken,
Ik vind aan land geen bezigheên,
Dit doet mij staêg naar 't schip weêr haaken,
Daar wordt verveeling nooit geleên,
Daar moet men hijssen, sjouwen,
En klimmen langs de touwen,
Is 't vaaren ook geen deugd?
Ik moet des nachts mijn' post bewaaken,
Ik acht geen' regen, kou, noch wind,
Spaart vijand, noch vrind,
Ontzind, ontzind, ontzind.
Blijv' veilig aan den haard,
| | | |
Blijv' veilig aan den haard,
Toch is de zee mij waard! bis.
Ben ik aan wal, ik moet verteeren,
Al wat ik met mijn vaaren won,
Ik kan toch spijs, noch drank ontbeeren,
En, schoon ik mij behelpen kon,
Ik haat het nutloos leven,
'k Heb mij ter zee begeeven,
Een schip moet zijn bemand,
Zo dat, al kwellen mij veel rampen,
Ik blijf tot vaaren even graag,
Trotsch stormbui, en plaag,
En vlaag, en vlaag, en vlaag.
Blijv' veilig aan den haard,
Blijv' veilig aan den haard,
Mij is de wal niets waard. bis.
|
|
|