|
|
|
| |
| | | |
Het besluit van 't Oude, en 't begin van het Nieuwe
Jaar.
Wijze: Pensez vous jeune Lisette, &c.
'k Zag weêr 't jaar zijn' kring besluiten,
Die door niets zijn' loop laat stuiten,
Als een stroom vast heenen glijdt;
En, zo wel bij smart en plaagen,
Als bij rust en blijde dagen,
Altoos even snel vergaat :/:
En ons slegts 't geheugen laat :/:
Eeuwige oorsprong aller dingen!
Gij! die tijd noch wiss'ling kent;
Die ons, zwakke stervelingen,
Wat ons goed is, altijd zendt;
Hoor ons thands, met blijde klanken,
U voor uwe liefde danken,
Zo in tegenspoed en druk :/:
Als in voorspoed en geluk :/:
| | | |
Elken dag kon ons getuigen,
Zie hoe wij ons voor u buigen,
Met een kinderlijk berouw;
Wij, helaas! aan 't stof gebonden,
Zijn voor u niet rein van zonden;
Voordaan blijve ons hart altijd, :/:
Vader! aan uw' dienst gewijd! :/:
Wij vertrouwen op uw' zegen,
In dit nieuw begonnen jaar;
Daarom maakt ons niets verlegen,
Gij behoedt ons in gevaar,
Ja! gij geeft ons moed en kragten,
Om getroost van u te wagten,
't Eeuwig, waar, bestendig goed,
Dat alleen de ziel voldoet.

|
|
|