dat het lezen van complete teksten normaal functioneel is en dat thema's niet normaal functioneel zijn.’ (p. 314-315) Kennelijk heeft het oordeel van Ten Brinke hier de doorslag gegeven. Het wordt echter storend als er binnen de nieuwe Zeggenschap zelf tegenstrijdige meningen worden geuit. Dat is dacht ik bijvoorbeeld het geval met de radicale veroordeling van de structuuranalyse in de inleiding en op p. 310-311, terwijl dezelfde structuuranalyse voor poëzie op p. 331 plotseling wél legitiem wordt geacht.
Deel 1 van het boek (de grondslagen) bevat vooral veel nieuws in het vierde hoofdstuk ‘De leraar en zijn leerlingen’, waarin het vakmanschap van de leraar, de benodigde technieken en vaardigheden aan bod komen. In deel 2 (de uitwerking) zijn de gedeelten over luisteren, lezen en taalbeschouwing (grammatica) grondig herwerkt. In het hoofdstuk over schrijven wordt nu ook uitgebreid aandacht besteed aan het project Gericht Schrijven. Over lezen bevat het boek nu twee aparte hoofdstukken: een over zakelijke teksten en een over literatuur, met nieuwe stukken over triviaalliteratuur, detectiveromans, science-fiction en strips. Totaal nieuw is het hoofdstuk over taalbeschouwing, waarin achtereenvolgens de traditionele spraakkunst, de t.g.g. en de taalgebruikstheorieën van W. van Calcar worden gewogen en te licht bevonden, echter zonder dat een duidelijk en bruikbaar alternatief wordt gegeven. Het onderwijs over leermiddelen ten slotte bevat nog enkele behartenswaardige nieuwe voorstellen in verband met leerboeken.
Al met al bevat deze nieuwe druk ongeveer honderdvijftig interessante bladzijden méér! Ik moet hierbij echter opmerken dat ook het gebruik van een groter (en ‘leesbaarder’) lettertype aan deze uitbreiding (ook in prijs!) wel een beetje debet zal zijn. Overigens verdient het uiterlijk van het boek niets dan lof, een enkele druktechnische misgreep (bijv. p. 153-154) buiten beschouwing gelaten.
Hoewel ik tot besluit mag zeggen dat ik de herziening en uitbreiding van Zeggenschap in het algemeen positief kan waarderen, moet ik daar helaas aan toevoegen dat het boek m.i. mog steeds een onvergeeflijke lacune vertoont. Op geen enkele plaats wordt blijk gegeven van enige bekendheid met het feit dat het Nederlands ook in België als moedertaal wordt onderwezen en dat dit vak hier zijn eigen specifieke problemen heeft en op een aantal punten (bijv. wettelijke beschikkingen) ook zijn eigen weg gaat. Nergens wordt gerefereerd aan het verdienstelijke boek van H. de Jonghe: Taal en tekst. Moedertaaldidactisch ontwerpen en handelen in praktische modellen (Acco, Leuven, 1974). Nergens wordt verwezen naar bij ons uitgegeven schoolboeken of taaldidactische periodieken. Nergens komen onze taalbeheersingsproblemen ter sprake, onze leerplanne, onze examenprogramma's, onze leermiddelen, ons VSO enz. Pas wanneer Zeggenschap in deze zin zal worden herzien en aangevuld, zal het boek ock voor de Vlaamse leraar Nederlands zijn optimale bruikbaarheid hebben verworven.
Jan Uyttendaele
Jan Griffioen en Harm Damsma: Zeggenschap. Grondslagen en een uitwerking van een didaktiek van het Nederlands in het voortgezet onderwijs. Tweede, herziene en vermeerderde druk. Wolters-Noordhoff, Groningen 1978. Omvang: 486 p. Prijs: 795 fr.