|
|
|
| |
| | | |
Woordvolgorde in Breughels kluchten
J.A. van Leuvensteijn
De onderstaande tekst is de voor wijdere publicatie aangepaste tekst van de lezing die ik vrijdag 2 april 1982 voor de vakgroep taalkunde van de subfaculteit Nederlands hield. Omdat mijn onderzoek naar de woordvolgorde in Breughels kluchten nog niet voltooid is, dient deze bijdrage als een voorstudie te worden beschouwd.
Naar aanleiding van de Kleine middelnederlandse syntaxis van Van der Horst schreef Koelmans kort geleden in De nieuwe taalgids: ‘Hoewel er over de Middelnederlandse syntaxis heel wat geschreven is (...), is het bij lange na niet voldoende voor het ontwerpen van een syntactische synthese.’1. Hetzelfde zou gezegd kunnen worden van de syntaxis van het 17de-eeuws. De oorzaak hiervan is m.i. onder andere gelegen in de taakomschrijving die van oudsher gold voor de vakken middelnederlands en nieuwnederlands. Deze vakken -niet voor niets vertaalvakken!- werden beschouwd als ondersteuning bij het literatuuronderwijs. Daaruit is het ook te verklaren dat veel studies over het mnl., 16de-en 17de-eeuws gebouwd zijn op een corpus van literaire teksten, waarbij verondersteld werd dat deze teksten in een bovengewestelijke taal waren geschreven, een soort algemeen beschaafd mnl. en 17de-eeuws. De gewestelijke eigenaardigheden komen dan in noten, bijlagen en aanhangsels terecht, in het gunstigste geval althans. Ook in de tamelijk recent verschenen Instructiegrammatica voor het mnl. van Van de Ketterij en in de Instructiegrammatica voor het 17de-eeuws van Hermkens en Van de Ketterij wordt met de geschetste traditie niet gebroken. Mijns inziens dient er eerst onderzoek te worden gedaan naar de niet-literaire schrijftaal in de verschillende gewesten. Daarna kan pas bepaald worden
| | | | of de taal die in de literatuur gebruikt wordt, wel bovengewestelijk is en als eenheid mag worden beschouwd.
Crena de Iongh gaf aan zijn uitgave van Lichte Wigger en Snappende Siitgen (Assen 1959), twee kluchten van Van Santen, de ondertitel: Zeventiende-eeuwse gesprekken in Delfts dialect. De tekstbezorger neemt dus kennelijk aan, dat Droncke Joortje, Coppen quist-goed', Arij-Pier-Ian-Keesen, Labbige Lijntgen en Deurtrapte Els, om maar enkele van de personages uit de twee kluchten te noemen, ongedwongen converseren, hoewel de versvorm die is van het maatloze rederijkersvers met gepaard rijm. Ook Van Es veronderstelt in zijn dissertatie dat de kluchtentaal wel heel dicht bij de gewone omgangstaal moet hebben gestaan. De studies van Verdenius maken duidelijk dat hij er ook van uit ging, dat waar mensen uit de heffe des volks op het toneel het woord voerden, hun taal beschouwd mocht worden als dialect. Al is er reden om zo'n standpunt niet klakkeloos over te nemen, toch lijkt het onmiskenbaar dat in kluchtentaal op zijn minst een flinke scheut dialect zit. Dit heeft mij er jaren geleden toe gebracht mij met Breughels kluchten (Amsterdam 1610 en 1612) bezig te houden, te meer omdat Breughel van Antwerpen naar Amsterdam verhuisde. In zijn kluchtentaal kunnen dus eigenaardigheden van Zuidnederlandse dialecten zitten en ook van het Hollands, terwijl het toch ook niet onmogelijk is dat Breughels personages een soort fatsoenlijk Nieuwnederlands spreken. Misschien heeft drukker Breughel wel zakelijke argumenten voor zo'n taalcultivering gehad.
Voor het Breughel-onderzoek zou het uitermate gunstig zijn geweest, wanneer de woordvolgorde in het Vlaams, Brabants en Hollands van rond 1600 beschreven was en wanneer ook bekend was hoe de woordvolgorde in de boven-gewestelijke taal -zo die dan al mocht bestaan!- er uit zag. Dat er na 1610 in Holland een verschil bestaat tussen de taal van de betergesitueerden en die van de oplichters, drinkebroers, herbergiers, lichte vrouwen e.d., blijkt o.a. uit Bredero's blijspelen. Daarmee is echter niet gezegd, dat de betergesitueerden bóven-gewestelijk Nederlands spreken.
We zullen ons bij de bespreking van de woordvolgorde eerst richten op de volgorde van de werkwoordsvormen.
Het was gebruikelijk om hoofdzinnen en bijzinnen te onderscheiden, al rijzen er wel eens problemen. Er zijn nl. bijzinnen met de volgorde van de hoofdzin (voorwaardelijke bijzin met vóór-pv, bijw.bz. van toegeving met vóór-pv, evenals de Al-zin); er zijn hoofdzinnen die door de scheiding van ond. en pv voor wat betreft de woordvolgorde grote overeenkomst met de bijzinsorde vertonen. Hermkens en Van de Ketterij stellen dan ook bij de behandeling van de pv in de hoofdzin die niet op de tweede plaats staat, achtereenvolgens aan de orde: pv op de 1ste, de 3de, de 4de, de 5de, de 6de
| | | | plaats (Bv. Dees (,) Genóótzaackt (,) ook hém 't leven gunt). Uit het bovenstaande blijkt dus al dat het voor het onderzoek van de woordvolgorde onverstandig is bij de ordening van het materiaal uit Breughels kluchten de hoofdzinnen tegenover de bijzinnen te plaatsen. Ook is het onjuist meteen zinnen met hoofdzinsvolgorde tegenover zinnen met bijzinsvolgorde te plaatsen, want dan ga je er van uit dat je al weet hoe de hoofdzinsvolgorde er uit ziet en hoe de bijzinsvolgorde en vooral dát wilde ik nu juist onderzoeken. Nu was me al gebleken dat de voegwoordelijke bijzinnen en de bijv. bijzinnen in hoge mate overeenstemden in woordvolgorde, m.n. voor wat betreft de plaats van de werkwoordsvormen. Andere bijzinnen, bijvoorbeeld onderwerpzinnen en lijdend voorwerpzinnen zonder voegwoord (type: hij zei, hij kwam direkt en type: hij zei, hij direkt kwam), waren in dit opzicht verre van homogeen en voor een reeks hoofdzinnen gold hetzelfde. Het lag dus voor de hand de voegw.bz. en de bijv.bz. te verenigen in één groep: classificatie 1. De rest kwam in classificatie 2 terecht.
De gegevens m.b.t. de volgorde in de voegw. en bijv. bijzinnen komen eerst aan bod. Volgens Vanacker is in de gesproken taal te Aalst en omgeving in de 15de, 16de en 17de eeuw de volgorde voltooid deelwoord (VD in het vervolg) PV gebruikelijk. Mevrouw Stoops noem voor de 16de-eeuwse Antwerpenaar Godevaert van Haecht een percentage van 88. Volgens Ornée is VD PV bij Marnix ook in de meerderheid (75%). Wanneer het VD één accent draagt, gaat het in 88% van de gevallen aan de PV vooraf, draagt het daarentegen twee accenten, dan volgt het in 65% van de gevallen op de PV, meldt Ornée. Ook Overdiep komt tot de conclusie dat de volgorde VD PV de gangbare is. Hij verwijst naar Reigersberg, De Witt, Van Heemskerk, Coster, Schouten en Vondel. Alleen Verhage constateerde in Van Riebeecks Dagregister een lichte voorkeur voor PV V(d.i. nominale vorm van het werkwoord).2.
Hoe deze kwestie in de dialecten ligt, blijkt uit het onderzoek van mej. Pauwels. Ik wijs u op haar verzamelkaart.3. Rond Antwerpen en Amsterdam zien we meer groene dan rode volgorde, dus meer VD PV dan PV VD. Mej. Pauwels baseerde zich op schriftelijke enquêtering, Stroop, die geluidsbanden met gesprekken in dialect beluisterde, kwam voor de omgeving van Amsterdam tot de slotsom, dat daar uitsluitend de groene volgorde in gebruik was, VD PV dus.4.
Wanneer de werkwoordelijke eindgroep uit drie delen bestaat, blijkt -volgens mededeling van prof. Pauwels naar de verhandeling van Swinnen- in het 17de-eeuwse proza een drietal volgordes mogelijk te zijn:5.
|
Noord |
Zuid |
| PV |
VDhoofdww |
INFhww (pass) |
43% |
74,6% |
| VDhoofdww |
PV |
INFhww (pass) |
48,3% |
25,4% |
| PV |
INFhww |
VDhoofdww |
8,7% |
1% (?) |
| | | |
Wanneer het hoofdwerkwoord een infinitief is, blijkt de volgorde van PV en infinitief (INF in het vervolg) soms gelijk, soms echter anders te zijn dan die van VD en PV. Een PV van willen komt bij voorkeur in de volgorde PV INF voor en één van moeten in INF PV, meldt Stellinga voor de Abele spelen. Ornée ziet voorkeur bij éénlettergrepige PV voor INF PV en bij tweelettergrepige PV voor PV INF. Eén en ander wordt door hem teruggevoerd op invloed van het ritme bij Marnix. Overdiep was hem daarin voorgegaan. Op een heffing volgt PV INF, ontbreekt de heffing, dan is de volgorde INF PV.6. Vanacker merkte in het Aalsters dialect twee volgordes op: vóór 1600 INF PV; na 1600 PV INF, een opmerkelijk verschijnsel. Mevr. Stoops constateerde op basis van een steekproef uit werk van Van Haechteen toenemende voorkeur voor PV INF.7.
Bij een drieledige werkwoordelijke eindgroep wordt door Overdiep en Pauwels (Swinnen) alleen melding gemaakt van de volgorde PV INFhww INFhoofdww.8.
Welk beeld bieden de dialecten? Op de verzamelkaart PV en INF in de bijzin, die door mej. Pauwels is samengesteld,9. is het Zuiden rood. Ook ten Zuiden van Amsterdam is het rood. Daar is de volgorde dus PV INF. Alleen ten Noorden van Amsterdam overweegt het groen.
Samenvattend kan m.b.t. de bijzin met twee werkwoordsvormen gezegd worden, dat VD PV de meest gangbare volgorde was, al komt PV VD ook voor; daarentegen blijkt de huidige hegemonie van PV INF in het Zuiden niet altijd te hebben geheerst, terwijl in Holland en Zeeland beide volgordes mogelijk waren.
De gegevens m.b.t. de hoofdzin laten zich zeer kort samenvatten. Wanneer we de PV buiten beschouwing laten, kunnen we ons alleen bezig houden met de volgorde van de nominale vormen van hulpwerkwoord en hoofdwerkwoord. Vanacker, mevr. Stoops, Overdiep, Verhage en Pauwels (Swinnen) melden de volgorde VDhoofdww INFhww, alleen Stellinga geeft voor de Abele spelen INFhww VDhoofdww.10.
Stellinga, Overdiep, Verhage, Pauwels (Swinnen), Vanacker en mevr. Stoops geven de volgorde INFhww INFhoofdww. Verdenius heeft aangetoond dat bij de Amsterdamse kluchtschrijvers ook INFhoofdww INFhww voorkomt.11. Vanacker meldt verder dat het tweede graads hulpwerkwoord achteraan komt te staan: (soude) dorfven doe(n) hebben.
Kortst samengevat: VDhoofdww INFhww en INFhww INFhoofdww zijn in de hoofdzin gebruikelijk.
| | | |
In 1970 heeft Jan Stroop een boeiende lezing gehouden op het 31ste Nederlandse Filologenkongres te Groningen. Hij verbond nl. de volgorde van de werkwoordsvormen in de bijzin met de volgorde van de nominale werkwoordsvormen in de hoofdzin. Een bijzin als dat hij had willen komen is z.i. vergelijkbaar met een hoofdzin als hij had willen gaan zeilen. ‘Dat samenvoegen van die twee groepen is geoorloofd omdat er bij beide maar drie leden voor plaatsverwisseling in aanmerking komen; in de hz. doet de pv. immers niet mee.’, zegt Stroop.12. Hij besluit zijn lezing met een samenvatting van zijn onderzoeksresultaten in drie systemen die lokaal gebonden zijn:
| I. |
Friesland, Groningen en een deel van Drente en Noord-Holland kent de zgn. dalende reeks.
BZ hoofdww - hww 1ste graad - hww 2de graad - pv, HZ pv - hoofdww - hww 1ste graad - hww 2de graad. |
| III. |
Oost- en Zuid-Nederland: in hz. en bz. eerst pv en vervolgens een stijgende of dalende reeks bij VD of een stijgende reeks bij INF.
HZ} a. pv - VDhoofdww - hww 1ste graad - hww 2de graad,
BZ} b. pv - hww 2de graad - hww 1ste graad - VD/INFhoofdww. |
| II. |
Het tussenliggende gebied. Wanneer het hoofdwerkwoord een INF is, vormen alle werkwoordsvormen een stijgende reeks met in de bijzin de pv achteraan en in de hoofdzin de pv voorop. Wanneer het hoofdwerkwoord een VD is, wordt dit gevolgd door een stijgende reeks hulpwerkwoorden, met dien verstande dat in de hoofdzin de pv natuurlijk aan alle overige ww.vormen vooraf gaat.
BZ hww 2de graad - hww 1ste graad - INFhoofdww - pv,
HZ pv - hww 2de graad - hww 1ste graad - INFhoofdww;
BZ VDhoofdww - pv - hww 2de graad - hww 1ste graad,
HZ pv - VDhoofdww - hww 2de graad - hww 1ste graad. |
Wanneer in de BZ slechts twee werkwoordsvormen voorkomen, verschijnt volgens systeem I en II de volgorde hoofdww - pv van het hulpww, de groene volgorde, en volgens systeem III de volgorde pv van het hulpww. - hoofdww, de rode volgorde.
In twee opzichten heeft Stroops lezing invloed gehad op de structurering van het Breughel-onderzoek m.b.t. de volgorde van de ww.vormen: ik diende te onderzoeken in hoeverre HZ en BZ in één volgordebeschrijving konden worden samengenomen en ik zou er verstandig aan doen het onderzoek te beginnen met die hoofd- en bijzinnen die het grootste aantal ww.vormen hebben.
Het aantal keren dat in Breughels zinnen van classificatie 1 (de voegw.bz. en de bijv.bz.) meer dan twee ww. vormen gebruikt worden, is gering. (Rijmwoorden die voor het betoog relevant zijn, worden in de citaten door X gevolgd. In de overzichten wordt rijmpositie aangegeven door +R, het ontbreken van rijmpositie door -R.)
| | | |
| (1) | 124321 Of den Calckoē wel souX vande pest zijn gestorvēX.13. |
| (2) | 234062 alwaer ghy in sult moghen lesenX (Watter mede kā genesenX (...)) |
| (3) | 118168 Die Gobbert wten nest, heeft comen roovenX |
| (4) | 234069 Ghelijck men alhier, u heeft laten wetenX |
In alle vier de gevallen is de volgorde dus PV INFhww VD/INF hoofdww, waarbij de laatste ww.vorm in rijmpositie staat, d.i. systeem IIIb van Stroop.
In de bijzinnen met twee ww.vormen ligt de kaart anders, zoals uit het onderstaande overzicht blijkt:
| PV VD 25 keer (24 keer +R 1 keer -R) |
: |
VD PV 7 keer (4 keer +R 3 keer -R) |
| PV INF68 keer (57 keer +R 11 keer -R) |
: |
INF PV 15 keer (10 keer +R 5 keer -R) |
De volgorde PV - VD/INF is verenigbaar met systeem IIIb van Stroop, maar de 22 gevallen met de pv achteraan vallen buiten systeem III en kunnen niet op rekening van rijmwoordpositie worden geschreven: 14 keer +R, 8 keer -R. Deze gevallen ressorteren onder systeem I of II.
De bijzinnen met twee ww.vormen zouden vergelijkbaar zijn met de hoofdzinnen die drie ww.vormen bevatten. In de zinnen van classificatie 2 trof ik 8 maal de volgorde (PV). INFhww VDhoofdww aan (7keer +R, 1 keer -R) en één maal de volgorde (PV) VDhoofdww INFhww:
| (5) | 130127 Hier by mach den mensche zijn ghelekenX |
| (6) | 150377 dit ghelach moet betaelt wesenX |
Verder blijkt de volgorde in de hoofdzinnen met INFhoofdww hiermee parallel te lopen:
25 keer (PV). INFhww INFhoofdww (19 keer +R, 6 keer -R), 2 keer een andere volgorde (2 keer +R).14.
Een voorbeeld van de gebruikelijke volgorde:
| (7) | 152419 Hoe soude een mensch dit connen verdraghenX |
Uit de zinnen van classificatie 2 kan de conclusie getrokken worden dat de infinitief van het hulpwerkwoord van de eerste graad vrijwel altijd voor het VD/INFhoofdww staat. Dit is verenigbaar met het systeem IIIb van Stroop.
Bij het beschrijven van de woordvolgorde in Breughels kluchten kunnen we niet volstaan met VDhoofdww, INFhoofdww, INFhww en PVhww. Er dienen twee pv's van het hulpwerkwoord te worden onderscheiden: de pv van het hulpwerkwoord van de eerste graad en de pv van het hulpwerkwoord van de tweede graad, resp. PVhww1 en PVhww2. De PVhww2 kan nl. niet rechts van INFhww en VD/INFhoofdww staan, één geval daargelaten.15.
| | | |
Gebruikmakend van links-van-relaties zijn de uitkomsten in een schema te visualiseren:16.

SCHEMA 1
Van Loey heeft in 1976 de monografie Scheidbare en onscheidbare werkwoorden hoofdzakelijk in het middelnederlands doen verschijnen. Onder ‘Criteria voor de bepaling van scheidbaarheid en onscheidbaarheid’ noemt de schrijver bij de pv achterplaatsing van het voorvoegsel en scheiding door het negatiepartikel en, bij de infinitief wederom achterplaatsing van het voorvoegsel en ook scheiding door de pv (m.i. moet dit aangevuld worden met: of een andere vorm van het hulpwerkwoord.). Verder moet m.i. bij de voltooid deelwoorden achterplaatsing van het voorvoegsel en scheiding door een vorm van het hulpwerkwoord worden toegevoegd. Scheiding door -ge- bij het voltooid deelwoord maakt het voorvoegsel nog niet tot een zelfstandig volgordedeel en klemtoon op het voorvoegsel maakt dit voorvoegsel al evenmin tot een zelfstandig volgordedeel. Aangezien ik me richt op het beschrijven van waarneembare volgordedelen en geen uitspraken wil doen over stukken van volgordedelen die mogelijk als zelfstandig volgordedeel kunnen optreden, laat ik de laatstgenoemde criteria van Van Loey rusten.
Breughels zinnen van classificatie 1 bezitten slechts twee (mogelijk drie) keer een gescheiden deel achter de pv van het samengesteld werkwoord. Andere gevallen doen zich niet voor. De zinnen van classificatie 2 tonen een grotere verscheidenheid:
| 1. | pv met achtergeplaatst gescheiden deel: 64 keer (28 keer +R 36 keer -R) |
| 2. | inf. met achtergeplaatst gescheiden deel: 6 keer (alle +R) |
| 3. | part. met achtergeplaatst gescheiden deel: 1 keer (+R) |
| 4. | inf. met scheiding door hulpwerkwoord: 2 keer (inf. in rijmpositie) |
De volgorde PVhoofdww - gescheiden deel is niet afhankelijk van het rijm. De volgorde gescheiden deel - vorm van hww - INFhoofdww is ook onafhankelijk van het rijm. Daarentegen is VD/INFhoofdww - gescheiden deel wellicht alleen mogelijk wanneer dit gescheiden deel rijmfunctie vervult. Het gaat om de volgende zeven gevallen:
| (8) | 153455 of hebdy heden, quaet te doen genomen voorX |
| (9) | 156515 Want den ouden doopen, can niet volgen naX. |
| | | |
| (10) | 234065 (...) Wilt noch eens horen aēX wat het can bedrijvē |
| (11) | 128067 ick wil staen oppeX, |
| (12) | 243132 en (ghy soudt) laten my u Minnaer inX |
| (13) | 127042 Dus wil ick introuwen, my stellen wat neerX |
| (14) | 222163 Doch moet ick lesenX, u mijn herte wtX |
Schema 1 kan thans worden uitgebreid met PVhoofdww en GD, d.i. gescheiden deel van het samengestelde werkwoord.

In schema 2 wordt alleen de onderlinge positie van verbale volgorde-elementen schematisch voorgesteld. Er is geen plaats ingeruimd voor andersoortige volgorde-elementen. Verder is de plaats van de verbale delen in de zin nog niet aangegeven. Ik richt me v.w.b. de plaats in de zin eerst op een erkend probleem in het 17de-eeuws: de plaats van de pv. Vervolgens zal ik nog enkele opmerkingen maken over de onderlinge volgorde en de plaats in de zin van onderwerpen en voorwerpen.
Bij de zinnen van classificatie 2, de zinnen die geen voegw. of bijv. bijzin zijn, vond ik 1115 zinnen met zgn. vóór-pv van het hoofdwerkwoord en 596 zinnen met vóór-pv van het hulpwerkwoord. Maar -en dat is de verrassing- er waren ook 55 zinnen met achter-pv van het hoofdwerkwoord (waarvan 52 met de ww.vorm in rijmpositie en 3 met de ww.vorm buiten rijmpositie) en 16 zinnen met achter-pv van het hulpwerkwoord (waarvan 14 met de ww.vorm in rijmpositie en 2 met de ww.vorm er buiten). Al staan 1711 zinnen met vóór-pv tegenover 71 zinnen met achter-pv, waarvan slechts 5 met de pv niet in rijmpositie, toch mogen we aan deze zinnen niet voorbij gaan: deze zinnen vertonen nl. grote overeenkomst met de zinnen van classificatie 1, de voegw. en bijv.bz. Enkele voorbeelden van zinnen van classificatie 2 met PVhoofdww of PVhww1 in achterpositie:
| (15) | 208098 O Ian, opt lest ghy my noch van myn sinnen berooftX |
| (16) | 149369 Nv Nv gasten, den Huysman niet en queltX (imp.) |
| (17) | 133022 Dese arme dieren, wy niet en ontsienX. |
| (18) | 223180 Die tot wercken geboren is geen arbeyt schaytX |
| (19) | 230375 Gants duysent schanden, sulcx tot wrake strectX |
| (20) | 138123 my doch niet meer en queltX, (imp.) |
| (21) | 238029 Wel voor wien ick hier praten gaen |
| (22) | 158051 Van veel te singhen ick grooten dorst crijgen souX |
| | | |
Dat de zinnen van classificatie 1 die minimaal twee opeenvolgende NP-delen bezitten met de functie van onderwerp of voorwerp, de pv altijd rechts van dat NP-blok hebben, zal niemand verrassen. Ik trof 77 zinnen met NP-blok en achter-pv van het hoofdwerkwoord aan en 33 zinnen met NP-blok en achter-pv van het hulpwerkwoord. Er zijn in het geheel 204 zinnen van classificatie 1 met bewijsbare achter-pv van het hoofdwerkwoord, terwijl er 66 zinnen van classificatie 2 lijken te zijn met een vóór-pv van het hoofdwerkwoord.18. In 29 gevallen lijkt aarzeling over de vóór-positie van de pv niet op zijn plaats. Een tweetal voorbeelden:
| (23) | 238024 dat wy clieffdeX, een pyntgen onder weechX |
| (24) | 120218 Nu ick aenschouX, u vriendelijcken persoonX |
In alle 29 gevallen is het laatste woord van de zin een rijmwoord.
Verder trof ik 100 zinnen van classificatie 1 aan met bewijsbare achter-pv van het hulpwerkwoord, naast 3 zinnen met ogenschijnlijk bewijsbare vóór-pv van het hulpwerkwoord en 14 onbeslisbare gevallen. Wederom enkele voorbeelden:
| (25) | 131134 Welcmen moeste lovēX, door wijsheyt voordachtX |
| (26) | 123291 Wanneer ghy zijt gesetenX, aent eynt vande bancX |
| (27) | 230377 Twelck wort opgewecktX, met onwetende slagēX |
Ook hier kan de plaatsing rechts van de pv en de nominale vorm van het hoofdwerkwoord op rekening van het rijm worden geschoven. Daarmee worden alle zinnen van classificatie 1 die rechts van de pv van het hoofdwerkwoord of de pv van het hulpwerkwoord - VD/INF van het hoofdwerkwoord één of meer volgordedelen hebben, dubieuze zinnen. Waarschijnlijk horen pv en overige ww.vormen in de werkwoordelijke eindgroep thuis, alleen omwille van het rijm kan de eindgroep door een ander volgordedeel worden gevolgd.
Ter afsluiting van dit gedeelte volgt de samenvatting van hetgeen ik tot hier heb verteld, in zinschema 1. Dit is een schema waarin in principe rekening wordt gehouden met nog niet ingevulde volgordedelen van de zin. (In verband met de ruimte die zinschema 1 in beslag neemt, is zinschema 1 op de volgende bladzijde overdwars geplaatst.)
Het neemt thans te veel tijd om op te sommen wat er aan volgordemogelijkheden bij bepaalde soorten onderwerpen en voorwerpen in middelnederlandse en 17de-eeuwse teksten is aangetroffen. Wel kan ik meedelen dat de aangeduide secundaire literatuur en studies op het terrein van de dialectologie mij er toe gebracht hebben om bij het onderwerp, het lijdend voorwerp en het niet-omschreven meewerkend voorwerp een driedeling te maken:
| | | | | | | |
| o1, m1 en l1 - zwakbetoonde (enclitische) pers.vnw., |
| o2, m2 en l2 - volle vormen van pers.vnw. en men, |
| o3, m3 en l3 - overige vormen van ond., meew.vw en lijd. vw., met uitzondering van de bijzinnen. |
Wanneer je nu in de zinnen van classificatie 1 en die van classificatie 2 gaat verzamelen welke o's links van welke l's, welke l's links van welke o's, welke o's links van welke m's, welke l's links van welke m's, welke m's links van welke o's en welke m's links van welke l's staan, -een werk dat de computer feilloos kan uitvoeren- dan lukt het om het volgende schema te ontwerpen. (Als werkcorpus nam ik die zinnen waarin onderwerp en voorwerp niet gescheiden waren.)

SCHEMA 3
Breughels kluchten geven vooralsnog geen aanleiding om o1 en o2 en om l1 en l2 te onderscheiden, verder zitten er geen m1's in het corpus en kunnen m2 en m3 samen worden genomen. Dat o1 en o2 voorafgaan aan l1, l2 en l3, zult u wel van me willen aannemen, maar dat l1 en l2 voorafgaan aan o3 moet aangetoond worden:
| (28) | 217039 alst de mannen niet weten |
| (29) | 230366 En dan moetent de arme dieren ontgelden |
| (30) | 208097 Dat het yemant my seyden |
| (31) | 225253 Op mercken, voer u de Noortoosten wint |
Ook moet aangetoond worden dat het meewerkend voorwerp aan o3 vooraf kan gaan:
| (32) | 144236 dat ons God van boven verleent, |
| (33) | 118157 Wanneer can hem beter Houwelick ghebeuren |
Verder is het opvallend dat het meewerkend voorwerp altijd volgt op l1 en l2, maar voorafgaat aan l3:
| (34) | 227299 Datment u de |
| (35) | 129095 Michi Pieter Claessen, men sal het u loonen |
| (36) | 150380 Weerdinne maect ons de rekeninghe net |
| (37) | 122264 Doen ick op trou u een peperkoeck ginck geven |
Schema 3 kan direkt ingepast worden in het bovenste traject van zinschema 1, zie bijvoorbeeld de zinnen (29), (31), (33) en (36). Bij het onderste traject doet zich soms een probleem voor. Er zijn nl. zinnen waarin l3 aan het onderwerp voorafgaat, zoals uit onderstaande voorbeelden met l3 o2 en l3 o3 blijkt:
| | | |
| (38) | 229341 Om dat sulcken onredeX, ghy gaet beginnen |
| (39) | 151406 Een galghe ghy beyden noch beschyten sultX. |
| (40) | 147320 Een soentgen ghepresenX, niemant achterhaelt |
In al deze gevallen hebben we echter te maken met expressief taalgebruik en dat doorkruist de gewone ordening. Ook hier dient dus rekening mee te worden gehouden.
Dames en heren, Het is nog niet mogelijk u ‘het zinschema’ van Breughels kluchten aan te bieden. Ik kon u slechts verslag doen van de weg die ik bewandel om tenslotte zo'n schema te kunnen ontwerpen. Eerst dan kan gesproken worden van een afgeronde visie op de woordvolgorde in de zin. Alles wat ik vanmiddag heb verteld, heeft dus noodzakelijk een voorlopig karakter.
Den Haag, 2 april 1982. |
2.V.F. Vanacker, ‘De plaatsing van enkele hulpwerkwoorden in de Aalsterse bijzin (1457-1700)’, in Album Edgard Blancquaert (...), Tongeren 1958, p.249-252, m.n. p.249. Yvette Stoops, Zinsstrukturen en zinsfunkties in de ‘Waerachtighe bescrijvinghe’ van Godevaert van Haecht (1546-1599), (niet uitgegeven proefschrift Gent Academiejaar 1975-1976), deel I, p.282-288. W.A. Ornée, De zin in het Nederlands proza en de poëzie van Philips van Marnix heer van St. Aldegonde. Een syntactisch-stilistische analyse, z.p. 1955, p.116. G.S. Overdiep, Zeventiende-eeuwsche syntaxis, drie stukken, Groningen, Den Haag, Batavia 1931-1935, §36. J.A. Verhage, 'n Sintakties-stilistiese studie van die Dagregister van Jan van Riebeeck, Amsterdam, Kaapstad 1952, p.41-71.
3.A. Pauwels, De plaats van hulpwerkwoord verleden deelwoord en infinitief in de Nederlandse bijzin, 2 delen, Leuven 1953. Kaart 16 ‘Respectieve plaats van vervoegd werkwoord en verleden deelwoord in de bijzin. VERZAMELKAART.’ prijkte voor het bord.
4.J.P.A. Stroop, ‘Systeem in gesproken werkwoordvormen’, Handelingen 31ste Ned. Filologencongres, Groningen 1971, p.242-244; volledige tekst van de voordracht in Taal en Tongval 21 (1970), p.128-147.
5.J.L. Pauwels, ‘Statistisch onderzoek van de Nederlandse zinsbouw’, NTg (1970) Van-Haeringen-nummer, p.93-100.
6.G. Stellinga, Zinsvormen en zinsfuncties in de Abele spelen, Groningen Djakarta 1954, Hfd. VI (m.n. vanaf p.226) en Hfd. VII. Ornée, a.w., p.105-109. Overdiep, a.w., §36.
7.Vanacker, a.w. of Syntaxis van gesproken taal te Aalst en in het land van Aalst in de XVde, XVIde en XVIIde eeuw, z.p. 1963, p.125-133. Y. Stoops, a.w., deel I, p.289-296.
8.Overdiep, a.w., §37; J.L. Pauwels, a.w., p.98.
9.A. Pauwels, a.w., Kaart 17 ‘Respectieve plaats van vervoegd werkwoord en infinitief in de bijzin. VERZAMELKAART.’ hing ook voor het bord.
10.Vanacker, Syntaxis van gesproken taal te Aalst (...), p.114-122. Stoops, a.w., deel I, p.79-86, m.n. p.84. Overdiep, a.w., §20. Verhage, a.w., p.18. J.L. Pauwels, a.w.. Stellinga, a.w., p.58 en 60.
11.Stellinga, a.w., p.55-62. Overdiep, a.w., §20. Verhage, a.w., p.18. J.L. Pauwels, a.w., p.94. Vanacker, Syntaxis van gesproken taal te Aalst (...), p.125-132, citaat op p.127. Stoops, a.w., deel I, p.79-86. A.A. Verdenius, ‘Over de volgorde van twee verbonden infinitieven’, Studies over zeventiende eeuws, (...), z.p.z.j., p.257-260.
12.Zie noot 4. Citaat uit Taal en Tongval 21 (1970), p.139.
13.De zinnen zijn geciteerd uit (G.H. van) Breughel, Boertighe Cluchten. Van Bouwen en Pleun, ende van Gobbert haren Sone, die met Koten spelende een wijff crijcht, ende trout Geyltgen met eenen Menisten Koeck. Met een Cluchte van eenen droncken Boer: Oock van twee soldaten die eenen boer plunderen, gaende mette Boerinne te bier. Noch van eenen Cramer met veel oubollige Liedekens., t'Amstelredam. By Gerrit Hendericxsz van Breughel, voor Willem Adriaensz Ockers, Boeckvercooper inde Warmoes-straet opten hoeck vande oude Brugh-steech, 1610. en uit (G.H. van Breughel), Het tvveede Deel Van Breugels boertige Cluchten, inhoudende vele nieuwe Tafelspeelen. Als van Jan en̄ Claer. Oock een spel van Kees ende Marry zijn Wijf, een Brandewijns man, en̄ een droncken Sleper met zijn nuchteren Peert. Noch van eenen Quacksalver: Met een Batement eens Jongen Boers wt vryen gaende. (...). Tot Amstelredam. By Gerrit Hendericx van Breughel, woonende in Dirck van Assen steech inde werelt vol drucx, 1612.
De voor de computerverwerking ontworpen vindplaatscodering van zes cijfers beduidt het volgende: 1ste cijfer geeft het eerste of tweede deel van de kluchten aan, resp. door 1 of 2; 2de en 3de cijfer geeft de pagina in het aangeduide deel aan (In deel 2 was de paginering in potlood vermeld, in mijn fotocopie van deel 1 heb ik een paginering toegevoegd waarbij A2 r als 03 werd genummerd, etc. t/m D8 v als 64); 4de, 5de en 6de cijfer geeft het nummer van de versregel in de klucht aan.
14.De beide zinnen luiden:
126002 Geen beter soudemen brouwen moghenX
142199 Teghen sulcken roem ic niet spelen sou connenX
15.Zie het tweede citaat uit noot 14.
16.Dit schema 1 kan vereenvoudigd worden, maar i.v.m. wat volgt, heb ik vereenvoudiging achterwege gelaten.
17.Ten gevolge van ruimtegebrek is naast de aanduiding INFhoofdww de aanduiding INFhfdww gebruikt.
18.Wanneer objecten en bepalingen ontbreken, is er nl. geen vóór- en achterpositie. Vergelijk bv. de bijv.bzz.
113061 wat ick vertrecX
128073 dat ick u vertreckX
In 128073 is achterpositie bewijsbaar, maar in 113061 kan vóór-positie niet worden afgewezen. Het betr.vnw. moet bij het bepalen van de plaats -evenals het voegwoord- buiten beschouwing blijven.
19.Zie in verband met het gebruik van X en Y D.M. Bakker, ‘Volgorde in werkwoordsgroepen’, NTg 71 (1978) Van den Bergnummer, p.479-483, m.n. p.479.
|
|