Voortgang. Jaargang 3


auteur: [tijdschrift] Voortgang


bron: Voortgang. Jaargang 3. Stichting Neerlandistiek VU, Amsterdam 1982


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 174]

Algemene grammatica en logische analyse
Nederlandse taalkunde in de jaren vijftig van de negentiende eeuw
J. Noordegraaf

Interest in synchronic description and the theoretical foundations of linguistics, did not, so the story went, come into the forefront of attention until the advent of structuralism

W. Keith Percival (1969:416)

0. Ter inleiding

In de ogen van de Deense linguǐst Louis Hjelmslev bestond de pre-saussureaanse taalkunde voor het grootste gedeelte uit een discontinu conglomeraat van subjectieve speculatie. Daarom leek het hem niet mogelijk, de ontwikkeling van de taaltheorie te volgen, laat staan de geschiedenis ervan te beschrijven, en spoorde hij ertoe aan, het verleden maar te vergeten (Hjelmslev 1953:3-4).

Enkele decennia later viel daarentegen een ‘verstärkte Hinwendung zum 19. Jahrhundert’ waar te nemen, om het in de woorden van Cherubim (1973:310) te zeggen. De visie op de taalwetenschap van voor 1916 is mede daardoor aanzienlijk gewijzigd. Serieuzer bestudering van de prestructuralistische taalkunde leidde tot een genuanceerder kijk op wat men wel met een parapluterm de ‘traditionele grammatica’ heeft genoemd, leidde vaak tot positiever taxatie van vroegere inzichten. Zo was althans de ervaring van Bakker, dat wie een onderzoek deed naar het wezen van het syntactisch verband en wie daarbij stuitte op het verschil van de ene syntactische relatie en de andere, moest komen ‘tot een herwaardering van de negentiende-eeuwse Logische Analyse’ (Bakker 1968:51).

Het werk van de Nederlandse beoefenaars van die Logische Analyse kent diverse aspekten. Verscheidene daarvan zijn in een recente bundel studies nader belicht1.), enkele andere wil ik in deze bijdrage aan de orde stellen en in wat breder kader plaatsen.

Met behulp van de term ‘historisch’ tematiseer ik een drietal zaken die in de negentiende eeuw blijvend aandacht hebben gehad. Vervolgens wordt bezien, welke positie enkele Nederlandse taalkundigen in deze hebben ingenomen. Na een korte ekskursie op het terrein van de Duitse

[p. 175]

Algemene Grammatica volgt een proeve van overzicht van de ontwikkeling van de Algemene Grammatica in Nederland.

M'n vertrekpunt hierbij is vooral de periode 1850-1860, toen er belangrijk werk verscheen van verschillende Nederlandse taalkundigen2.), en met name van de twee geleerden tot wie ik me hier voornamelijk zal beperken, te weten Taco Roorda en L.A. te Winkel. Daarbij zij direkt opgemerkt, dat hun visies op een aantal punten nogal uiteen blijken te lopen. Waar ik hen in een Europees of internationaal zonnetje zet, is dat alleen om het plaatje wat meer kleur te geven, en niet om mee te doen in de jacht op ‘voorlopers’, hoewel dat seizoen nog steeds niet gesloten schijnt te zijn.

1. Wat is ‘historische’ taalwetenschap?

Historisch (1). Kort voor het verschijnen van het eerste deel van zijn Deutsche Grammatik (1819) publiceerde Jacob Grimm een opstel, waarin hij reageerde op recente voorstellen van Jean Paul, die betrekking hadden op de ‘zusammensetzung der deutschen substantive’. Het voorstel van de Duitse schrijver Jean Paul Richter betrof voornamelijk de tussen-s in samenstellingen. Grimm wijst de door hem gevonden regel als geheel foutief van de hand. Deze regel namelijk

kann nicht zutreffen, weil er die sprache wie etwas von heute betrachtet, folglich den ursprung und fortgang ihrer mannigfaltigen äusserungen zu verstehen nicht im stande ist.

Waar voor Jean Paul verwarring heerst, is het mogelijk voor degene die gewoon is ‘dass nie still gestandene und nie still stehende ins auge zu fassen, eine unendlich einfache, weise und tiefsinnige austheilung der lichter und farber’ te onderkennen (Grimm 1819a:7). Ergo:

die beurtheilung der heutigen zusammensetzungen wird also immer fehlschlagen oder im dunkel tappen, wenn man nicht alle äusserungen der alten Sprache übersehen kann (1819a:9).

Hier ligt de sleutel tot veel van wat in de negentiende eeuw over taal gezegd zal worden. Wie de taal slechts als ‘etwas von heute’ bekijkt, zit principieel fout, het huidige taalsysteem is alleen vanuit het verleden te doorgronden. In de Deutsche Grammatik schrijft Grimm, ‘dass die heutigen Formen unverständlich seyen, wo man nicht bis zu den vorigen alten und altesten hinaus steige, dass folglich die gegenwärtige struktur nur geschichtlich aufgestellt werden dürfe’ (Grimm 1819b:xxiv, mijn curs.). Een ‘Sprachzustand’, geeft Telegdi (1966: 226) als commentaar, is in deze optiek geen autonoom, in zichzelf besloten objekt van wetenschappelijk onderzoek: ‘Er hat den Grund, aus dem er abgeleitet und damit verstanden werden kann, nicht in sich’. Deze conceptie heeft in aanzienlijke mate het negentiende-eeuwse taalkundig denken bepaald. In de tweede druk van zijn Prinzipien der Sprachgeschichte (1886) merkt Hermann Paul niet zonder enige retoriek op: ‘Es ist eingewendet, dass es noch eine andere wissenschaftliche Betrachtung der Sprache gäbe, als die geschichtliche. Ich muss das in Abrede stellen’. Ik zou helemaal niet weten, zegt hij wat verder, ‘wie man mit Erfolg über eine Sprache

[p. 176]

reflektieren könnte, ohne dass man etwas darüber ermittelt, wie sie geschichtlich geworden ist’ (Paul 1920:20-21).

 

Historisch(2). ‘Donc la langue a une histoire, c'est un caractère constant’, merkt De Saussure op. Is dat voldoende om de taalwetenschap tot de historische wetenschappen te rekenen? Het antwoord is negatief: ook de aarde heeft een geschiedenis, die ons door de geologie wordt verteld, maar daaruit vloeit niet voort dat de geologie een historische wetenschap is, ‘au moins au sens édroite et précis que nous donnons à ce terme’.

Quelle est donc la seconde condition impliquée par le mot de science historique? C'est que l'objet qui fait la matière de l'histoire - par example l'art, la religion, le costume, etc. - représente, dans un sens quelconque, des actes humains, régis par la volonté et l'intelligence humaine3.), - et qui d'ailleurs doivent être tels qu'ils n'interessent pas seulement l'individu mais la collectivité (CLG/E, N:5b).

In zijn eerste college te Genève (1891) scherpte hij dat nog eens aan:

il y a eu, Messieurs, vous le savez, un temps où la science du langage s'était persuadée à elle même qu'elle était une science naturelle, presque une science physique; je ne songe pas à démontrer comme quoi c'était une profonde illusion de sa part, mais au contraire à constater que ce débat est clos et bien clos. A mésure qu'on a mieux compris la véritable nature des faits de langage, qui sont si près de nous, mais d'autant plus difficiles à suivre dans leur essence, il est devenu plus évident que la science du langage est une science historique et rien d'autre qu'une science historique (CLG/E, N:5b).

Hiermee sprak hij geheel en al in de geest van z'n Parijse oud-collega's Michel Bréal (cf. Aarsleff 1981) en Gaston Paris (cf. Engler 1980). De taalwetenschap is een historische wetenschap, een geesteswetenschap4.), en geen natuurwetenschap, zoals Schleicher en Max Müller, aan wie De Saussure in zijn college refereert, zo'n dertig jaar eerder beweerd hadden. In overeenstemming met de opvatting dat de taalwetenschap tot de natuurwetenschappen gerekend moest worden, was de gedachte dat de taal een natuurlijk organisme was, onderworpen aan vaste natuurwetten die van binnen uit de gang van de taal regelden. Die gedachte werd door De Saussure als een ‘doctrine ridicule’ van de hand gewezen, en ook daarin volgde hij het spoor van Gaston Paris en Michel Bréal, die vanaf het midden van de jaren zestig dergelijke leerstellingen eveneens hadden bestreden. Zij waren overigens niet de eersten, zoals we nog zullen zien.

 

Historisch (3). Is in onze tijd het woord ‘historisch’ slechts gangbaar in de zin van ‘geschichtlich’, voor Grimm en zijn tijdgenoten had dat woord nog een andere betekenis, en wel waar het in oppositie stond met een term als rationeel en met name filosofisch. Historische kennis, zo werd op de Duitse universiteiten in de achttiende eeuw gedoceerd, is kennis ex datis, rationele of filosofische kennis was ex principiis. Dat wil zeggen: historische kennis berust op de ervaring, op het

[p. 177]

feitelijke, terwijl rationele kennis haar grond vindt in de rede. De cognitio rationalis is ook rationeel in die zin, dat ze betrekking heeft op de ratio van het feitelijke, van waaruit dat feitelijke verklaard kan worden.

Door de term ‘historie’ ook als synoniem van ‘empirie’ te gebruiken geeft Grimm aan wat hij met zijn historische grammatica wil. Hij wil de feiten van de tegenwoordige taal verklaren, zoekt deze verklaring niet in een theorie die de diepere samenhang van deze feiten aan het licht brengt, maar in andere feiten, de gegevens uit het verleden. Gevolg van deze benadering is, dat de grammatica als het ware in het historische, dus (ook) empirische blijft steken, en het filosofische op de achtergrond raakt (Telegdi 1967:225-227).

Principieel verwerpen doet Grimm de filosofische grammatica van zijn dagen dan ook niet. De vraag naar de adekwaatheid van de traditionele beschrijvingscategorieën bijvoorbeeld is voor hem slechts een probleem van terminologische aard. Echter, aan de filosofische grammatica ontbrak voorlopig nog de zo noodzakelijke grondslag; die kon z.i. pas door het historisch, d.w.z. op de feiten gericht, onderzoek gelegd worden.

De filosofische grammatica, beter bekend onder de naam ‘algemene grammatica’, in Frankrijk in de achttiende eeuw tot grote bloei gekomen, was in Duitsland met interesse ontvangen en in een reeks van geschriften zelfstandig uitgewerkt. De algemene grammatica werd beschouwd als een filosofische behandeling van de grammatica. Ze moest de algemeen geldende principes van alle talen in het denken onderzoeken. De door haar verworven inzichten berustten daarom niet op de ervaring, maar waren rationele, op de rede gebaseerde inzichten5.).

In de nieuwe, bijgewerkte editie van de Grammaire des grammaires (1839) wordt op de eerste bladzijde de mening van de achttiende-eeuwse taalkundigen Beauzée en Douchet aangehaald:

... la Grammaire générale est la science raisonnée des principes immuables et généraux de la parole prononcée ou écrite dans toutes les langues; Et la Grammaire particulière, l'art de faire concorder les principes immuables et généraux de la parole prononcée ou écrite, avec les institutions arbitraires et usuelles d'une langue particulière. La Grammaire générale est une science, parce qu'elle n'a pour objet que la spéculation raisonnée des principes immuables et généraux de la parole; une Grammaire particulière est un art, parce qu'elle envisage l'application pratique des principes généraux de la parole aux institutions arbitraires et usuelles d'une langue particulière (Girault-Duvivier 1839:1)6.).

Op basis van dergelijke inzichten werd ‘filosofische grammatica’ een gewone aanduiding voor datgene wat eerst en eigenlijk ‘algemene grammatica’ heette. Beide uitdrukkingen waren in de achttiende eeuw ‘und noch darüber hinaus gleichbedeutend’ (Telegdi 1967:231; cf. Forsgren 1973:24)7.). De opdeling van de grammatica in een algemeen en een bijzonder deel blijft eveneens in zwang: Becker (1841:9) stelt de ‘allgemeine Sprachlehre’ tegenover de ‘besondere Sprachlehre’, L.A. te Winkel contrasteert de ‘Algemeene Grammatica’ met de ‘bijzondere spraakleer’ (1858:2)8.).

[p. 178]

2. Logische analyse als algemene grammatica

Tot voor een aantal jaren terug behoorde het tot de ‘Received View’, aan te nemen dat het na het opkomen van de historisch-vergelijkende taalwetenschap met de ‘grammaire générale’ was gedaan. ‘La grammaire générale se meurt’, formuleert Kukenheim (1962:63) bondig. ‘Elle mourut parce qu'elle n'intéressait plus personne’, verduidelijkt Harnois (1928:85): wegens gebrek aan belangstelling heeft het genre afgedaan. Alleen in het taalonderwijs zal de invloed zich nog lang doen gelden (Mok 1971:6).

Het lijkt me juist, te constateren dat de produktie van omvangrijke grammaires générales, zoals die rond de eeuwwisseling plaats vond9.), nogal terugloopt. Men kan het Mok (1971:6) toegeven, dat ‘de Grammaire van Port-Royal en het werk dat onder haar invloed is ontstaan’ in de negentiende eeuw in diskrediet is geraakt10.). Maar de grammaire générale als stroming is nooit geheel en al ten onder gegaan. Mounin heeft daar vijftien jaar geleden al eens op gewezen. In 1967 merkte hij op:

il continuait... une tradition, surtout française, qui, tout en répudiant l'apriorisme de la grammaire générale... n'avait jamais renoncé à la faire plus scientifiquement (Mounin 1970:222).

Als kroongetuige citeert hij Bréal, die in zijn openingscollege in 1868 met nadruk had gewezen op ‘cet assemblage de principes et d'observations dont Port-Royal a donné le premier modèle’ en een verzoening daarvan wilde beproeven met de ‘grammaire comparative’. Onderzoek op die basis ‘ne peut manquer d'être feconde, et tout dissentiment entre la grammaire philosophique et la grammaire expérimentale doit conduire à des idées nouvelles sur la nature du langage ou sur le développement de l'esprit humain’ (Mounin 1970:222-223 = Bréal 1868:299-300).

‘Surtout française’? In Duitsland echter ligt de situatie in principe niet anders. K.F. Becker, eminent vertegenwoordiger van de algemene grammatica in Duitsland en invloedrijk lid van een ‘Frankfurter Schule’, de Frankfurter Gelehrten-Verein für deutsche Sprache, waaruit zoveel belangrijk werk op het gebied van de zinsleer is voortgekomen, beschouwde de historische en filosofische grammatica als complementair: ‘Die historische und die logische Betrachtung müssen einander ergänzen’, was zijn mening (Haselbach 1966:41).

Ook in Nederland is in de negentiende eeuw de algemene grammatica beoefend. Maar tussen Kinkers kantiaans gekleurde ‘algemeene taalwetenschap’ of ‘algemeene taalkunde’ (cf. Van der Wal 1977) en de door Taco Roorda en L.A. te Winkel vooral als ‘logische analyse’ beoefende ‘Algemeene Grammatica’ bestaat wel enig verschil. Jan te Winkel had zoals vaker gelijk, met op te merken dat Kinker in 1817 ‘de periode der logische taalbeschouwing... waardig besloot’ (J. te Winkel 1905:9). Dit voert tot de vraag welk zelfbeeld taalkundigen als Taco Roorda en L.A. te Winkel hadden, en hoe zij aankeken tegen de algemene grammatica. Omdat L.A. te Winkel zich het duidelijkst over deze materie heeft uitgelaten, zal ik voor beantwoording van die vraag vooral uit zijn geschriften putten.

 

De ‘Algemeene of Philosophische Grammatica’ is ‘de wetenschap, welke het algemeene in de talen beschouwt en verklaart, en de oorzaken en den

[p. 179]

zamenhang van alle verschijnselen op het gebied van spraak en taal tracht aan te toonen’ (Te Winkel 1859:37). Zij houdt zich bezig ‘met het onderzoek naar de natuur en de eigenschappen van spraak en schrift in het algemeen, naar den aard en de beteekenis der onderscheidene soorten van woorden, naar het gebruik en de onderlinge betrekking der woorden in de rede; kortom zij geeft een inzicht in de wijze, waarop wij door spreken en schrijven bij anderen gedachten te weeg brengen, onze kennis mededeelen en ons gemoed uitstorten... Hare resultaten maken deel uit van iedere bijzondere spraakleer, namelijk het hoogere, wijsgerige gedeelte, dat in de grammatica eener bijzondere taal slechts ter loops behandeld, of liever als bekend verondersteld wordt’ (Te Winkel 1858:2). Geen grammatische regel is dan ook denkbaar, ‘die niet gegrond is op een of meer begrippen, tot het gebied der Algemeene Grammatica behoorende...’ (1858:4).

De Algemene Grammatica heeft ‘eene menigte verschijnselen’ te verklaren, zo stelt Te Winkel (1859:38):

Het eigentlijke wezen van spraak en schrift; het verband tusschen voorstelling en spraakgeluid, tusschen gedachte en zin, tusschen gesproken en geschreven woord; de invloed van het schrift op de spraak; de natuur en soorten der spraakgeluiden; hunne wederzijdsche werking op elkander; de wijzigingen en verwisselingen, waarvoor zij vatbaar zijn; de wijze, waarop de woorden ontstaan, van elkander worden afgeleid, zamengevoegd en verbogen; de wetten, volgens welke hun vorm en hunne beteekenis in den loop der tijden verandert11.).

Dit zijn allemaal zaken, zegt Te Winkel, die

... voor eene philosophische beschouwing vatbaar zijn, vermits zij uit de natuur van de menschelijken geest en de inrichting der spraakwerktuigen moeten verklaard kunnen worden (1858:10).

De Logische Analyse nu maakt eveneens deel uit van de Algemene Grammatica; zij is zelfs ‘het voornaamste en vruchtbaarste gedeelte’ van de Algemene Grammatica (1858:10). Daarbij dient evenwel de volgende precisering in acht genomen te worden.

Als ieder vak van wetenschap heeft de Logische Analyse een theoretische en een praktische kant. Alleen de ‘Theorie der Logische Analyse’ is deel van de Algemene Grammatica. Die theorie is ‘de beschouwing van de natuur, de soorten en de onderlinge betrekking der woorden en zinnen; zij leert de kracht of de beteekenis, en dus teven het gebruik, van iedere soort kennen’ (1858:2). De ‘Practijk der Logische Analyse’, ‘de eigentlijke redeontleding’, het ‘logisch analyseeren’, ‘bestaat in eene gedurige toepassing van de Theorie’ (1859:38), is dus ‘de toepassing dezer theoretische kennis op eene gegevene rede of op een gegeven zin’ (1858:9).

Het is niet onduidelijk, wat voor Te Winkel de centrale entiteit in de Logische Analyse is:

Wat men in de Logische Analyse ook beschouwen en behandelen moge, altijd zal men met zinnen, zinsneden en woorden, dus met zinnen en deelen van zinnen te doen hebben. Alles wat in de leer der Logische Analyse voorkomt... moet dus noodwendig afhangen van het

[p. 180]

begrip, dat men zich gevormd heeft van een zin. Het begrip van zin is de spil, waarom alles draait... (1859:19).

De theoretische kennis van de Logische Analyse wordt toegepast bij het ‘logisch analyseeren’. Daaronder wordt verstaan

het oplossen van eenen volzin of van een rede, dat is, van eene aaneenschakeling van bijeenhoorenden volzinnen, in de deelen, waaruit zij bestaat, met beoordeeling van den aard en de beteekenis van ieder deel. Is het eene geheele rede, die men ontleedt, dan heeft men in de eerste plaats op te geven, tot welke soorten de volzinnen behooren en in welke betrekking zij onderling staan.

Het ontleden van een enkele volzin

bestaat dan vooreerst in het aanwijzen van de soort, waartoe de zin behoort, en vervolgens in het opnoemen van zijne deelen, telkens met aanwijzing van de soort, waartoe ieder deel te brengen is.

Zodoende wordt duidelijk, dat het logisch analyseren ‘hoofdzakelijk eene voortdurende beoordeeling van zinnen en van deelen van zinnen’ is (1859:37).

 

De eerste die in ons land de logische analyse op wetenschappelijk niveau beoefende, was - aldus Te Winkel - de Delftse hoogleraar Taco Roorda. Met zijn Over de deelen der rede en de rede-ontleding, of logische analyse der taal tot grondslag voor wetenschappelijke taalstudie (1852) gaf deze ‘de eerste proeve van eene wetenschappelijke behandeling der Analyse’. Het boek kon zelfs gelden als een ‘zeer verdienstelijke proeve’ op het gebied van de theorie der logische analyse, een terrein dat men algemeen beschouwde als een uiterst ‘moeijelijk gedeelte der Grammatica’ (Te Winkel 1858:7). Te Winkel voelde zich geroepen om zoveel als in zijn vermogen lag, ‘bij te dragen tot het optrekken van eenen nog ontbrekenden vleugel aan het gebouw der taalwetenschap’, en dat probeerde hij door de onvolkomenheden in de duistere rede van de ‘Indische hoogleraar’ in het licht te stellen. Daardoor raakte de strijdbare Te Winkel in een telkenmale geprolongeerde diskussie gewikkeld met Roorda en diens aanhangers. Maar welke onderling verschillen er in de loop van de diverse diskussies ook aan de orde kwamen, aangaande aard en doel der Logische Analyse had Te Winkel ‘gedeeltelijk groote overeenstemming’ geconstateerd (cf. 1859:42-44). Op de verschillen kan ik hier niet verder ingaan.

In elk geval was voor Roorda en Te Winkel de logische analyse een theoretische kennis, ‘onontbeerlijk bij het aanleren van elke taal’ (cf. Bakker 1972:6). Voor beiden gold de logische analyse als algemene grammatica, waarin onderwerpen werden behandeld die ‘voor eene philosophische beschouwing’ vatbaar waren, aangezien ze uit de natuur van de menselijke geest (Te Winkel 1858:10) verklaard moest worden, niet uit de buiten ons liggende ruwe feiten, uit de empirie. Ook in die zin kan de logische analyse niet als ‘historische’ grammatica gelden.

 

De algemene grammatica zoals die in ons land in de zeventiende en achttiende eeuw bedreven was, sloot vrij nauw aan bij wat men met de term

[p. 181]

‘Port-Royal’ kan aanduiden. Roorda 1852 is volgens De Witte en Wijngaards (1961:45) opgezet ‘volgens de theorie die door de “Messieurs de Port-Royal” en hun navolgers definitief is geformuleerd’. Ook Salverda de Grave meent dat Roorda 1852 ‘nog geheel op het standpunt der “grammaire raisonnée” staat’, maar hij voegt er terecht aan toe, dat het werk ‘daarnaast veel nieuwe en oorspronkelijke gedachten bevat’ (Salverda de Grave 1929:250). Iets van dat nieuwe van Roorda wil ik laten zien met behulp van zijn standpunt inzake het negentiende-eeuwse organismebegrip van de taal.

3. Tweeërlei organisme

Aan het begrip ‘organisme’ kan men twee aspekten onderscheiden die voor de negentiende-eeuwse taalkunde van belang zijn gebleken. Enerzijds kan het genealogisch-evolutieve, anderzijds het systematisch-funktionele gezichtspunt op de voorgrond gesteld worden (Forsgren 1973:100). Eerstgenoemde beschouwingswijze domineert in de door Schlegel, Rask, Bopp en Grimm gegrondveste historisch-vergelijkende taalwetenschap, de tweede staat voorop in de door Schmitthenner, Becker en anderen vertegenwoordigde logische grammatica. Tussen beide richtingen bestaat er volgens Becker (1829:ix) tot op zekere hoogte een tegenstelling. Voornaamste vertegenwoordiger van de overwegend systematisch-funktionele beschouwingswijze was Wilhelm von Humboldt, die door Becker vaak wordt aangehaald en aan wie hij zijn Organism der Sprache (1827, 18412) opdroeg.

‘Die Sprachen sind als organische Naturkörper anzusehen, die nach bestimmten Gesetzen sich bilden, ein inneres Lebensprinzip in sich tragend sich entwickeln und nach und nach absterben’. Louter metafoor is deze uitspraak van Bopp uit 1836 nauwelijks meer, veeleer het begin van een visie op taal als autonoom organisme (cf. Arens 1974, I:179). De hypostasering van taal als autonoom organisme vindt een hoogtepunt, tevens eindpunt, in de door Schleicher uitgedragen opvattingen.

Die Sprachen sind Naturorganismen, die ohne vom Willen des Menschen bestimmbar zu sein, entstunden, nach bestimmten Gesetzen wuchsen und sich entwickelten und wiederum altern und absterben; auch ihnen ist jene Reihe von Erscheinungen eigen, die man unter dem Namen ‘Leben’ zu verstehen pflegt (Schleicher 1863:88).

Zodoende wordt er een scheiding tot stand gebracht tussen de taal als zelfstandig organisme en de mens die de taal spreekt.

In de jaren vijftig blijkt ook Matthias de Vries, volgeling van de Duitse historische school, zich op dit pad te bevinden. Naar zijn mening volgt de taal geleidelijk een ‘organischen gang’ en doorloopt

naar vaste natuurwetten alle tijdperken van opkomst en ontwikkeling van bloei en verval; maar hetzelfde geldt ook van ieder onderdeel dat tot haar organisme behoort (De Vries 1855-1856:261).12.)

Zijn aansluiten bij het genealogisch-evolutieve standpunt komt duidelijk naar voren, wanneer hij in de tweede helft van de jaren vijftig een bespreking moet leveren van door Taco Roorda geventileerde opvattingen.

[p. 182]

In de diskussie met De Vries keerde Roorda zich in zijn repliek scherp tegen de door deze uitgedragen ‘algemeene linguistische theorie’, volgens welke

de menschelijke taal een levend organisme (is), een natuurproduct, dat een natuurlijk organisch levensproces doorloopt, en dus zijn tijdperken van kindschheid, van jeugd, van manlijke leeftijd en van verkwijnende ouderdom heeft (Roorda 1858b:70).

‘Mijnheeren!’, roept Roorda zijn hoorders toe, die hele theorie is

niets anders dan een uitvloeisel van geheel verkeerde taalbegrippen, die ik nu, in 1857, wel als verouderd gemeend had te mogen beschouwen (1858a:155) - na de vorderingen die de Linguistiek of taalwetenschap na het beroemde, reeds voor twintig jaren verschenene werk van Wilhelm von Humboldt Ueber die Verscheidenheit [sic] des menschlichen Sprachbaues gemaakt heeft (1858b:70).

Voor Roorda is het wáre begrip van taal als natuurprodukt: ‘een door een natuurlijk instinct gevormd product van de mensch als redelijk, met spraak- en denk-vermogen begaafd wezen, daar ieder volk zijn geest op een bijzondere wijze in uit en uitdrukt, en daar het een orgaan voor zijn denken in heeft’ (1858b: 71).

Methodologisch geheel en al op de natuurwetenschappen georiënteerd ziet De Vries de taalkundige als een ‘botanicus’, die ‘het bloeijend natuurleven’ met ‘het ontleedmes’ doet kennismaken en de ‘parasietenplanten’ uitwiedt: taalkunde als studie van ‘taalplanten’, zoals Multatuli later eens zou zeggen, daarmee refererend aan August Schleicher; de taal quasi-botanisch als een soort plantenrijk gedacht. In het verlengde van een dergelijke benadering ligt de opvatting dat de taalkunde een natuurwetenschap is.

Roorda keert zich krachtig tegen een natuurwetenschappelijke interpretatie van het organismebegrip. Taal is een produkt van de menselijke geest, en is niet iets buiten ons. ‘Die Sprache ist kein selbständiger, durch sich selbst lebender Organismus’: deze uitspraak van K.W.L. Heyse (1856:233) houdt hij aan De Vries voor (Roorda 1858b:70). Hij had nota bene ook Becker kunnen aanhalen, die eveneenshad gesteld, dat de taal ‘nicht an und für sich ein selbständiger Organism’ is (Becker 1841:12). Ook Becker was zich blijkbaar althans theoretisch bewust van het gevaar van hypostasering van het organismebegrip. Zijn kritici hebben dit niet wensen te honoreren. Het woord ‘organisme’ geldt sedert Steinthal 1855 als een besmette term.

Met zijn kritiek op het natuurwetenschappelijk organismebegrip participeert Roorda in een diskussie die nog ruim een halve eeuw zal voortduren. Vóór hem had de Deen Madvig de uitwassen van de Duitse school gehekeld, na hem zouden Franse taalkundigen als Bréal en Paris bij velerlei gelegenheden deze en verwante theorieën bestrijden. En in hun voetspoor treedt ook Ferdinand de Saussure. Hij wijst de gedachte van de hand dat de taal ‘est une chose tout à fait extra-humain, et en soi organisé, comme serait une végétation parasite... (CLG/E:169).

‘La langue naît, croît, dépérit et meurt comme tout être organisé’. Cette phrase est absolutement typique de la conception si répandue
[p. 183]
... qu'on s'épuise à combattre, et qui a mené directement à faire de la linguistique une science naturelle. Non, la langue n'est pas un organisme, elle n'est pas une végétation qui existe indépendante de l'homme, elle n'a pas une vie à elle entraînant une naissance et une mort (CLG/E, N:7b).13.)

Merk overigens op dat De Saussure tegen de kenschets van taal als organisme, mits goed verstaan, niet zoveel bezwaren koesterde; zo dikteert hij in 1908:

On a fait des objections à cet emploi du terme organisme: la langue ne peut être comparée à un être vivant, est à tout moment le produit de ceux de qui elle dépend! On peut cependant employer ce mot sans dire que la langue est un être à part, existant en dehors de l'esprit, indépendant. Si l'on préfère, on peut au lieu de parler d'organisme parler de système. Cela vaut mieux et cela revient au même (CLG/E:59; CLG:40,428).

Of men op grond van deze en andere uitlatingen De Saussure nu mag rekenen tot de via Steinthal voortgezette Humboldttraditie, zoals Jäger 1975 wil, is thans niet aan de orde. Ik volsta met op te merken, dat Steinthal opvattingen à la Schleicher en Max Müller (‘die wunderliche Parole: die Sprachwissenschaft ist eine naturhistorische Disciplin, und die Sprache ein Naturorganismus’) duidelijk van de hand wijst (Steinthal 1864:17 evv.). Anderzijds geldt Steinthal als een van de felste kritici van Beckers Organism der Sprache; ik kom daarop later terug. Vergelijk hier De Saussure's ‘Cela vaut mieux et cela revient au même’ met enkele passages uit het werk van Steinthal (1855:379-380).

Man wird uns fragen, ob wir die Sprache einen Organismus nennen wollen?... die Sprache... ist ein geistiges Erzeugniss. Eine rein natürliche Bedeutung könnte es sicherlich nicht haben... Dies Wort hat seine Epoche ausgelebt.
In einer andern Beziehung könnte uns das Wort Organismus wichtiger werden...

en hij vervolgt: de in iedere taal liggende eenheid

welche daher rührt, dass das Ganze die Theile bestimmt, und jedes Theil als bestimmtes, besonderes Glied des Ganzen charakterisiert ist, können wir mit dem Worte Organismus bezeichnen. Doch wozu?... und so ziehen wir es vor, jede Sprache ein aus einem einheitlichen Principe geflossenes System... zu nennen.

Het woord ‘organisme’ roept bij Steinthal blijkbaar ongewenste associaties op, en daarom geeft hij de voorkeur aan de term ‘systeem’, zoals ook De Saussure dat zal doen.

 

Dr. Johannes van Vloten uitte kritiek op Roorda, waar deze enerzijds afstand neemt van het organismebegrip van taal, maar er zich anderzijds weer op beroept (cf. Van Vloten 1871:32, 169). Roorda meet met twee maten, zegt Van Vloten. Deze paradox laat zich verklaren, wanneer men zich het dubbel aangezicht van het begrip ‘organisme’ te binnen brengt. Te Winkel spreekt het vermoeden uit, dat Roorda evenals Becker de taal voor

[p. 184]

een organisme aanziet. Men moet wel concluderen, dat Roorda de taal als één geheel aanmerkt, en dan moet men wel denken aan Becker, die zijn Organism geschreven heeft, ‘hoofdzakelijk om de taal als een organismus, als een organisch samengesteld geheel te doen beschouwen’ (Te Winkel 1859:78). En na Steinthals kritiek op Becker is zo'n visie not done.

Waarschijnlijk had Te Winkel gelijk, en dat zou betekenen dat Roorda enerzijds het organismebegrip in natuurwetenschappelijke zin als verklaringsmodel afwijst, anderzijds aansluit bij de systematisch-funktionele opvatting van ‘organisme’. Dit aspekt van het organismebegrip is vooral ook door Von Humboldt uitgedragen (cf. Vesper 1980:105), en in die zin zou men kunnen zeggen, dat het Von Humboldt was die de ‘structurele conceptie van de taal’ formuleerde (Van den Toorn 1978:27; zie ook Slotty 1935:28).

Op dat strukturele aspekt zal ik niet ingaan, wel kan er iets gezegd worden over de funktionele kant ervan, althans wat Roorda betreft. Het afwijzen van de gedachte dat de taal een organisme in natuurwetenschappelijke zin is, past bij een funktionele conceptie van taal. Heeft men de taal een funktioneel karakter toegekend, dan rest nog de aard van deze funktie te preciseren. Men kan van mening zijn, dat de primaire funktie van de taal is het exterioriseren van psychische fenomenen, d.w.z. taal is in eerste instantie een uitdrukkingsmiddel. Daartegenover kan men stellen, dat de taal primair een communicatiemiddel is (cf. Wunderli 1981:154). Deze laatste positie werd ingenomen door de ‘Franse school’ (Bréal, De Saussure), die hiermee een achttiende-eeuwse traditie voortzette; de eerste is terug te vinden in het Duitse idealisme: volgens Von Humboldt bijvoorbeeld streefde de taal ernaar ‘das Unsichtbare sinnlich darzustellen’ (cf. Christmann 1974:17); het sociale aspekt van de taal raakt zodoende op de achtergrond.

Voor Von Humboldt is de taal niet primair communicatiemiddel14.), maar ‘das bildende Organ des Gedanken’ (1963:191,223,426). ‘Die Hervorbringung der Sprache ist ein inneres Bedürfniss der Menschheit, nicht bloss ein äusserliches zur Unterhaltung gemeinschaftlichen Verkehrs’ (1963:390). Het spreken is ‘eine nothwendige Bedingung des Denken des Einzelnen in abgeschlossener Einsamkeit’ (1963:429). Het tekenkarakter van de taal speelt in deze traditie geen prominente rol (cf. Bierbach 1978:145)15.).

Bij Roorda is de taal het instrument waarmee de mens ‘zijn donkere gewaarwording’ ‘beteekent’, verzinnelijkt, d.w.z. ‘onder woorden’ brengt. In ‘het zinnelijk kleed der taal gehuld’ treedt het donker gevoel ‘aan het licht des bewustzijns’ (cf. Roorda 1835:82-86). Met behulp van het redeof spraakvermogen kan de mens groeien in zelfkennis én in kennis van God: taal in metafysisch perspektief.

Roorda's taalwetenschap is nauw verbonden met zijn wijsgerige en psychologische opvattingen. Zijn Over de deelen der rede (1852) is zeer wel te relateren aan zijn Zielkunde (1849, 18502), een boek dat een weergave is van colleges omstreeks 1835-36 te Amsterdam gegeven.16.)

Bij zijn afwijzen van De Vries' duiding van de taal als organisme beriep Roorda zich, met recht, op Von Humboldt, die weliswaar ook de taal als organisme opvatte, maar dan wel in een andere zin (cf. Slotty 1935:29; Christmann 1974:67-68). Dat wijst er onder meer op, dat Roorda het systematisch-funktionele aspekt van het organismebegrip als bedoeld door Von Humboldt onderkende en positief waardeerde. De taal is voor Roorda een psychische funktie van de mens, een orgaan voor het denken; een middel om te groeien in zelfkennis en in Godskennis, eerder dan een middel tot

[p. 185]

communicatie. Met enig recht schetste J. te Winkel Roorda als werkend ‘in Von Humboldts geest’, zij het als wijsgerig taalpsycholoog ‘in eenigszins ouderwetschen zin’ (J. te Winkel 1905:10). Roorda's vermogens-psychologie zou het spoedig moeten afleggen tegen de door L.A. te Winkel in navolging van Steinthal gepropageerde Herbartiaanse leer.

De diskussie met De Vries heeft Roorda verloren, omdat hij het feitenmateriaal te eenzijdig interpreteerde. Maar ‘taal als natuurlijk organisme’, dat standpunt heeft geen van de medestanders van De Vries daarna meer willen verdedigen.

4. Synchronie, theorie

In diskussie met zijn geleerde vriend W.G. Brill geeft Te Winkel in 1857 opening van zaken wat betreft ‘de grondstellingen..., waardoor ik mij grootendeels heb laten besturen’, in dit geval bij de behandeling van de voornaamwoorden. In zijn spraakleer had Brill de betekenis van de voornaamwoorden afgeleid uit hun, volgens hem oorspronkelijk plaatsaanduidende funktie. Te Winkel (1856) kende daarentegen een groter gewicht toe aan de funktie die de woorden in de eigentijdse taal vervullen.

Te Winkel herleidt het verschil in zienswijze hiertoe, ‘dat wij ons op verschillende standpunten hebben geplaatst. Gij beschouwt de voornaamwoorden meer van de etymologische zijde, ik heb om didactische redenen gemeend mij op het syntactische standpunt te moeten plaatsen’ (1857:263), dat wil zeggen: de funktie die het woord in de rede vervult, wordt als grondslag gebruikt, eerder dan zijn (historische) afleiding. ‘Het lijkt erop, dat Te Winkel het wetenschappelijk veld ruimt onder dekking van het woord “didactisch”; anderzijds wekt de voorafgaande diskussie de indruk, dat Te Winkels visie als wetenschapsman erin wordt uitgesproken’, meent Bakker (1977:140). Welke is die visie dan? Ik wijs op een paar punten.

 

De eigenlijke taak van de grammatica, stelt Te Winkel, is de taal te leren verstaan. Elke levende taal verandert onophoudelijk: wil de grammatica haar taak blijven vervullen, dan moet ze na verloop van jaren herzien worden, ‘teneinde telkens den waren toestand der taal te leeren kennen’ (1857:264).

‘Een woord heeft alleen beteekenis en kracht, wanneer het met andere tot eenen volzin verbonden is, daarom bepaalt het syntactisch gebruik van een woord, de functie, die het in de rede vervult, de soort, waartoe het gebracht moet worden, en dus ook zijne definitie’. De afleiding, de etymologie, ‘bepaalt de soort niet, waartoe een woord moet gebracht worden’. Daarom noemen we nu de een lidwoord en niet meer een aanwijzend voornaamwoord (ib.).

Uit het eerstgenoemde punt vloeit voort de rang die Te Winkel toekent aan ‘de historisch-etymologische taalbeschouwing’:

hare uitspraken in eene grammatica, voor een bepaald tijdstip bestemd, (kunnen) slechts eene ondergeschikte waarde hebben. Immers zij kan slechts verklaren en redengeven, soms zelfs leeren, hoe iets eigentlijk zou moeten zijn; maar te zeggen, hoe iets werkelijk is, dit vermag zij niet. Zij verspreidt licht over den toestand eener taal in elk gegeven tijdperk, maar zij bepaalt die toestand niet (1857:267).17.)

Te Winkel haast zich overigens om toe te voegen, dat hij ‘geen penning’

[p. 186]

wil afdingen van de waarde en het belang van de historische taalstudie. Het nut ervan blijkt vooral ‘bij uitzonderingen en schijnbare tegenstrijdigheden, die zij veelal weet te rechtvaardigen en op te lossen’ (1857:267).

Enkele jaren later wederom in debat tredend met zijn inmiddels hooggeleerde vriend Brill, ditmaal over de definitie van het werkwoord, verklaart Te Winkel ook nu een interpretatiefout zijnerzijds uit een verschil in benadering:

gij hadt het oog niet op het tegenwoordige, maar op het sinds lang verledene, niet op het gebruik, dat wij thans ieder oogenblik in ons spreken van de werkwoorden maken, maar op hunne naauwe betrekking tot de uitdrukkingen, waarmede de eerste menschen hunne gedachten te kennen gaven (1861:5).

Te Winkels foutieve interpretatie van Brills werkwoordsdefinitie

was een noodwendig gevolg van mijne opvatting van de Grammatica, die mijns inziens de verklaring moet zijn van den tegenwoordigen toestand der taal, en die de verschijnselen, welke wij dagelijks op haar gebied waarnemen, tot klaar bewustzijn moet brengen (1861:4).

Te Winkels opvattingen in dezen stroken met de opinie die de Deense classicus Madvig hierover ventileerde. ‘Die gelehrte etymologische Kenntniss darf nicht das lebendige Bewusstsein der Gegenwart stören’, herhaalde deze nog eens in 1871 (Madvig 1871:169). Johann Nicolai Madvig (1804-1886) gold als ‘le premier latiniste de l'Europe’ (Thurot); ook in Nederland genoot hij grote bekendheid, niet in het minst omdat tallozen uit de Nederlandse bewerking van zijn spraakleer Latijn hadden geleerd. Bij de Duitse uitgave van zijn Latijnse grammatica voegde hij een bijlage, die niet alleen opmerkingen van didaktische aard, maar ook van theoretische aard bevatte. Zo maakt Madvig sommige geleerden het verwijt, dat zij vergeten dat ‘die Fertige Sprache mit ihren existirenden Formen die wesentliche Aufgabe ist’ en dat zij niet inzien dat

die Gültigkeit und Wahrheit des Wortes nicht in dem liegt, wovon es hergekommen ist, sondern in dem, was es in dem Bewusstsein der Besitzer der Sprache geworden ist.

Dat is een ‘Verkennen, das namentlich bei Bopp und seiner Schule nicht selten sichtbar wird’ (Madvig 1843:17).

Charles Thurot vat als volgt samen: Madvig ‘reproche à Bopp et à son école d'oublier que le langage tout formé est l'essentiel et que la véritable valeur d'un mot n'est pas dans son origine, mais dans ce qu'il est devenu pour ceux qui parlaient et écrivaient la langue’ (Thurot 1870:381). Het was een punt dat Madvig vaak benadrukte, zegt Aarsleff (1979:73), ‘thus coming close to making the distinction between diachronic and synchronic study’.18.)

Uit het voorgaande blijkt waar Te Winkels prioriteiten liggen. Zelf niet wars van artikelen op etymologisch terrein, stelt hij de historische taalwetenschap op het tweede plan. Van Helvoort (1982:185) resumeert Te Winkels opvattingen als volgt: ‘Men moet de resultaten van de historisch-vergelijkende taalstudie niet als doel, maar als middel beschouwen. Zij dienen niet als onderzoeksobject voor de grammatica, doch als middelen om de huidige toestand van de taal te verklaren: in het verleden ligt

[p. 187]

het heden’. In zijn pogen ‘de taal van het tegenwoordige oogenblik op te helderen’ maakt Te Winkel zich los van etymologische overwegingen teneinde, geheel on-Grimms, de taal ‘wie etwas von heute’ te verstaan.19.)

 

Instruktief in dit kader is ook de diagnose die Van Vloten geeft van wat hij bij Roorda, in diens diskussie met De Vries, onjuist acht. Van Vloten brengt een citaat van Ernest Renan, uit diens Histoire des langues Sémitiques tegen Roorda in het veld. De ervaring leert, aldus Renan,

combien est imparfaite la connaissance des idiomes modernes chez les personnes qui n'ont étudié la langue ancienne d'où ils sont sortis. Le secret des mécanismes grammaticaux, des étymologies, et par conséquent de l'orthographe, étant tout entier dans la langue ancienne, la raison logique de ces mécanismes est insaisissable pour ceux qui les considèrent isolément et sans en rechercher l'origine (cf. Van Vloten 1871:158).

Van Vloten acht dit citaat de sleutel tot Roorda's misslagen; hij hekelt ermee de ‘oppervlakkigheid’ van een taalbeschouwing die de taal niet in haar ontwikkeling, maar ‘op een gegeven tijdstip’ beschouwt, en hij gewaagt in dezelfde passage van ‘het ongelukkige beginsel van de Heer Roorda, om alleen de geworden taal in oogenschouw te nemen’ (1871:166-167n).

Op zich is het niet zo vreemd dat een Nederlandse doctor in de theologie deze Franse semiticus citeert, maar het tekent ook het standpunt dat Van Vloten als taalkundige inneemt. Niet alleen de inhoud van het citaat is karakteristiek, ook de positie die ermee verdedigd wordt: Renan was in die dagen een enthousiast volgeling van de Duitse historische school.

Op enkele inzichten van Roorda heb ik al eens elders gewezen20.). Roorda was een descriptivist avant la lettre wiens voornaamste bezigheid het was, de taalfeiten te beschrijven zonder acht te slaan op kwesties van historische of vergelijkende aard (Uhlenbeck 1964:52). Zijn a-historische taalopvatting kwam duidelijk aan het licht in diskussies met aanhangers van de historische (De Vries, Brill) en de vergelijkende taalwetenschap (Van der Tuuk, cf. Teeuw 1971). Zo had Roorda in 1855 de strukturele voorrang van de gesproken boven de geschreven taal bepleit; zijn wens was dat ‘in de Grammatica's de levende taal, zooals die gesproken wordt, als de ware taal beschouwd en op de voorgrond geplaatst wierd’ (Roorda 1856:117).

Roorda's Javaansche Grammatica (1855) is voor het grootste deel descriptief en synchroon van aard (cf. Teeuw 1971:xxvi); en dat werd in die dagen als een ernstige tekortkoming gevoeld: er was te weinig acht geslagen op de verwante talen. ‘Dit was evenwel een gevolg van zijn beginsel, dat men er zich toe moest bepalen eene taal grondig te kennen, voor dat men er toe overging in eene vergelijking met andere talen te treden’, legt Meinsma (1874:323) uit. Scherper formuleert Veth, dat Roorda in de loop der tijd onverschilliger was geworden omtrent de historische ontwikkeling der taal en dat voor hem het belang der vergelijking van verwante talen naar de achtergrond was getreden. ‘Hierin vinden dan ook zijne... ketterijen betrekkelijk de verhouding tusschen spreek- en schrijftaal voornamelijk haren grond’. Een goed inzicht in het Javaans, citeert Veth uit de grammatica, ‘is alleen te verkrijgen door het opsporen van het logische, dat het eenige in waarheid algemeene is, wat in alle talen hetzelfde is, maar dat in de verschillende taalstammen, en daarin weêr in elken taaltak en iedere bijzondere taal, op de meest verschillende wijzen wordt uitgedrukt’. De

[p. 188]

konsekwenties van een dergelijke benadering heeft Veth duidelijk onderkend:

Men zal gemakkelijk kunnen nagaan dat een onderzoek als het hier geschetste... voor iedere taal op zich zelve en voor iedere periode harer ontwikkeling zonder terugzicht op vroegere toestanden kan worden ingesteld (Veth 1874: 49).

Met andere woorden: een benadering à la Roorda, vanuit de algemene grammatica, loopt uit op een synchrone taalbeschouwing.

 

Bij het uitvoeren van zijn onderzoeksprogramma stuitte de kritische Te Winkel op tal van problemen. De Grammatica is zeker een belangrijke wetenschap, maar ze verdient de naam van wetenschap ‘in den strengsten zin des woords genomen’ eigenlijk nog niet.

Wanneer men door wetenschap te verstaan heeft een geregeld zamenstel van waarheden, die hetzelfde onderwerp of dezelfde soort van onderwerpen betreffen, zodanig ingericht en voorgesteld, dat alles ordelijk op elkander volgt, en het een, zoo mogelijk, met noodzakelijkheid uit het ander voortvloeit, zoodat men nergens op tegenstrijdigheden stuit, en al het volgende in volmaakte overeenstemming met het voorgaande wordt bevonden, dan mag de Grammatica op dien eertitel nog geene aanspraak maken (1860:171).

Te Winkel weet wel, hoe dat komt:

Hoe verbazend de vorderingen ook zijn, die de taalkennis in de laatste halve eeuw door den arbeid van mannen als de Grimm's, Bopp, Pott, W. von Humboldt en anderen - om geene Vaderlandsche geleerden te noemen - ook moge gemaakt hebben; de eigenlijke Grammatica heeft geen gelijken tred gehouden met de Historische en Vergelijkende Taalstudie (1860:171).

Nog steeds, aldus Te Winkel, blijkt het ‘dat de spraakkunstschrijvers in den waren aard en het wezen van de voorwerpen hunner beschouwing niet zijn doorgedrongen’ (ib.). Om de Grammatica, de taalwetenschap21.), tot het peil van een echte wetenschap te brengen, dienen eerst de ‘grondbegrippen’ gezuiverd te worden en ‘tot de hoogste mogelijke scherpheid en duidelijkheid’ gebracht te worden (1860:176-177; cf. Van Helvoort 1982:186).

In het begin van de jaren zestig waande de historisch-vergelijkende taalkunde, als wetenschap ‘auf festgebautem unverrückbarem Grunde’ (Schleicher), zich op een hoogtepunt. In 1861-62 kon Schleicher een Compendium in het licht geven. Maar de vlucht die de historisch-vergelijkende taalwetenschap heeft genomen, is ten koste gegaan van de eigenlijke taalwetenschap, zegt Te Winkel, en dat verwijt treft met name de Duitse historische school. Hij berispt de grammatici, omdat zij ‘omtrent de denkbeelden en voorstellingen, die de grondslagen uitmaken van de wetenschap die zij de hunne noemen’ geen juist en helder begrip hebben ontwikkeld (1860:171-172). Gebrek aan welomschreven definities, een gebrek aan inzicht in de aard en het wezen van de taal zelf, dat ziet Te Winkel als typerende feilen van de taalwetenschap van zijn dagen.22.)

[p. 189]

De teneur van Te Winkels lamentaties herkent men in de kritiek door de Amerikaan W.D. Whitney (1827-1894) in 1875 nog geuit:

Reeds lang heeft men zich met taalvergelijkingen in den ruimsten omvang beziggehouden, en hoog te waardeeren zijn de verkregen uitkomsten; maar de algemeene taalwetenschap [‘science of language’] heeft eerst in de allerlaatste jaren eenige afronding, een bepaalden vorm gekregen, en over haar grondbeginselen heerscht nog een groot verschil van mening en een levendige strijd. Het wordt hoog tijd, dat die stand van zaken... eindelijk eens ophoudt, en dat... ook op taalgebied niet alleen een menigte feiten, maar ook een voorraad waarheden23.) voor zoo onomstotelijk zeker worden erkend, dat een ieder die ze loochent, zijn aanspraak op den naam van wetenschappelijk man verliest (Whitney 1879:265-266; cf. 1875:316).

De Duitse taalkundigen excelleren weliswaar op het terrein van de vergelijkende filologie, maar op het gebied van de ‘science of language’ hebben zij zich veel minder onderscheiden.

Onenigheid wat de hoofdvragen betreft, onzekerheid omtrent het juist inzicht, onvastheid in 't maken van gevolgtrekkingen komen bij hen niet minder voor dan ergens elders, zoodat men van een Duitsche wetenschap der taal dan ook eigenlijk niet mag spreken (1879:267; ‘that a German science of language cannot be said to have an existence’, 1875:319).

Ik citeer hier Whitney enigszins omstandig, om te laten uitkomen dat Te Winkels analyse anno 1860 inderdaad juist was. Wat is het objekt van de taalwetenschap, hoe en met wat voor begrippen gaat men in de taalkunde te werk? In dat type vragen was Te Winkel met name geïnteresseerd.

 

Twintig jaar geleden heeft Uhlenbeck een karakteristiek van Roorda gegeven die men ook voor Te Winkel zou kunnen laten gelden. Roorda bezat het vermogen om de taalfeiten te beschouwen ‘without any historical bias and with a remarkable insight in the synchronic reality of a language which has to be described according to its own categories’ (1964:52). Roorda's Javaanse spraakkunst, zegt Teeuw (1971:xxvi), was voor het grootste deel ‘purely descriptive and synchronic in character’. Ook voor de Nederlandse beoefenaars van de algemene grammatica lijkt het dictum van De Saussure op te gaan: ‘C'est à la synchronie qu'appartient tout ce qu'on appelle la “grammaire générale”’ (CLG:141).24.)

Ook een tweede karakteristiek door Uhlenbeck zou ik mede voor Te Winkel laten gelden. Taco Roorda ‘was highly interested in what nowadays would be called general linguistics’ (1964:52). Hun belangstelling ging uit naar problemen van algemeen-taalwetenschappelijke aard. In hoeverre zij ‘als descriptief en algemeen linguïst’ hun tijd ‘ver vooruit’ waren (Uhlenbeck 1963:416), dat hangt denk ik af van de kriteria die men daarvoor wenst aan te leggen.25.)

5. Exkurs: K.F. Becker (1775-1849)

Hebben geleerden als Roorda en Te Winkel hun opvattingen geheel zelfstandig ontwikkeld? Zo'n vraag zou kunnen opkomen, wanneer men een werk

[p. 190]

van een andere vertegenwoordiger van de Logische Analyse bestudeert, te weten de Nederlandsche Spraakleer van W.G. Brill. Wie Brills magnum opus legt naast dat van vader en zoon Heyse, wordt getroffen door de precisie waarmee Brill vaak zijn Duitse voorbeeld volgt (cf. Druyven 1982:167). Ook Roorda en Te Winkel zijn sterk Duits georiënteerd.

De meest prominente vertegenwoordiger van de algemene grammatica in het Duitsland van de jaren 1825-1850 is wel K.F. Becker geweest. Naar aanleiding van Beckers overlijden in 1849 noemde A. de Jager hem ‘één van Duitschlands grondigste en scherpzinnigste taalkenners’, die grote invloed had uitgeoefend op de studie van het Duits in het algemeen en op het taalonderwijs in het bijzonder. Ook bij ons, schreef De Jager, ‘is die invloed niet geheel te miskennen’ (De Jager 1849-1850:287; cf. De Jager 1842:141). Men ziet dat bijvoorbeeld aan het feit dat een aantal jaren later D. de Groot in zijn Nederlandsche Spraakkunst (1872) breekt met de synthetische leergang (klank - woord - zin) en - analytisch - de leer van de zin vooraf laat gaan. De elementen der syntaxis en de beschouwing der zinsbetrekkingen moeten het begin en de grondslag van al het grammatisch onderwijs uitmaken, citeert hij Becker in zijn verantwoording. De receptie van het Beckerisme in de Nederlandse taalkunde26.) is iets voor een andere gelegenheid. Toch wil ik enkele punten wat betreft Becker aansnijden die me in verband met de voorgaande paragrafen interessant lijken.

 

Levende taal. Zowel bij Roorda als Te Winkel is duidelijk, dat de levende taal een voorname plaats in de taalbeschouwing was toegedeeld. In de grammatica's diende ‘de levende taal, zooals die gesproken wordt, als de ware taal beschouwd en op de voorgrond geplaatst’ te worden (Roorda 1856:117). In vergelijking met een schrijftaalgrammatica als die van Weiland (1805), overigens in de jaren vijftig nog steeds veelvuldig geraadpleegd, betekent deze benadering een aksentverschuiving. Een dergelijke verschuiving constateerde Vesper (1980:141) voor de eerste drie decennia van de negentiende eeuw ook in de opvattingen van Duitse taalkundigen als Schmitthenner, Herling en Becker, alle drie vertegenwoordigers van de logisch-filosofische richting in de grammatica. ‘Die Sprachlehre lehrt nicht eigentlich, wie man sprechen soll, sondern nur, wie man spricht’, heet het bij Becker (1841:9).

Wie zoals Becker de relatie tussen taal en denken centraal stelt, kan niet anders dan uitgaan van de handeling van het spreken, niet van de taal als een verzameling van vormen. ‘Die Arbeit der Sprachphilosophie kann sich nur an der gesprochenen Sprache entzünden’ (Ott 1975:260). Vandaar dat iemand als Becker in de loop van de tijd zich steeds meer afwendde van de ‘historische’ weg en zich ging toeleggen op de syntaxis als de manifestatie van het denken in de handeling van het spreken: ‘der Mensch spricht weil er denkt; und mit der Verrichtung des Denkens ist zugleich die Verrichtung des Sprechens gegeben’ (Becker 1841:2). Een grammatica die opgezet is volgens de door Becker voorgestane taaltheoretische en taalpsychologische principes, is daarom een grammatica van de gesproken taal, en geen grammatica van de schrijftaal (Ott 1975:260; Vesper 1980:108).

 

Logicisme. De traditionele grammatica's en wel in het bijzonder die van algemeen-grammaticale snit, zijn veelal als ‘logisch’ getypeerd. Met dit epitheton meende men het wezen van de algemene grammatica of van de taalbeschouwing uit de vorige eeuwen wel afdoende gekenschetst te hebben. Maar

[p. 191]

theses als zouden bepaalde grammatica's ‘logicistisch’ zijn, kunnen niet zomaar worden geaccepteerd, d.w.z. niet zonder zorgvuldige toetsing. Allereerst is inmiddels wel gebleken dat onze kennis van het vroegere taalkundig denken niet zo volledig en diepgaand is als misschien wel eens gedacht is. Vervolgens is het zo, als Ott (1975:223) dat uitdrukte: ‘Alles hängt dabei davon ab, was man unter dem Begriff “logisch” versteht’. Scherper nog formuleerde het Wagner (1973:35): wie niet eenduidig aangeeft, met welke opvatting van logica hij deze problematiek te lijf gaat, verklaart met de these van een logicistische grammatica obscurum per obscurius. Zo ziet men bijvoorbeeld Steinthal de algemene grammatica premissen toeschrijven die ze nimmer heeft gehuldigd.

Bovendien kan nog worden aangetekend, dat bij de bepaling van de grammaticale categorieën het door Port-Royal op de voorgrond geplaatste logische, beter gezegd semantische, kriterium in het algemeen niet altijd leidde tot een verwerpen van het vormelijke kriterium. In de eerste helft van de achttiende eeuw ziet men dat in de Franse taalkunde - bij alle invloed van Port-Royal - het aksent in toenemende mate op de strukturele bijzonderheden van de afzonderlijke talen komt te liggen (Wagner 1973:41).

Het is overigens niet verbazingwekkend dat de manier waarop Becker zijn opvattingen presenteerde, allerlei bezwaren en beschuldigingen wegens ‘logicisme’ heeft opgeroepen. Maar Becker benadrukte, dat de ‘Logik der Sprache’ verschillend is van de ‘Logik der Schule’ (cf. 1841:xiv, xvi), het logische systeem van een of andere school. Deze eerste ‘hat eine Eigenthümlichkeit, die nur in der Sprache selbst kann erkannt und verstanden werden’ (Becker 1829:x). Die opmerking dient zo begrepen te worden dat hij zich ‘von dem Schematismus der Systeme ablösen und die Sprache ihrer Bedeutungsstruktur nach untersuchen wollte’ (Ott 1975:294). In de etymologie van het historisch taalonderzoek heerst een klankvormelijk principe. In de syntaxis, voornaamste objekt van de ‘logische Betrachtung’, heerst echter een ‘logisches Prinzip’. En met ‘logisch’ bedoelt Becker bijgevolg in hoofdzaak de syntaktische funkties (Forsgren 1973:103).

Wat er ook aan logicisme in Beckers opvattingen moge schuilen, de door hem opgestelde theorie behelst zeker een bepaalde afkeer van het algemeen woekerend logicisme - deze conclusie lijkt inderdaad ‘erstaunlich’, om het met Forsgren (1973:99) te zeggen. Dat Becker echter op het terrein van de algemene grammatica een duidelijke vernieuwing betekende (cf. Scherer 1875:224), hangt samen met de wijze waarop hij zijn systematischfunktionele organismeopvatting op de grammatica toepaste (Forsgren 1973:99). Daardoor werd de syntaxis omgevormd tot een zinsleer, een systeem, waarbij inzicht in de betrekkingen centraal stond. Er is gesteld, dat zijn organismebegrip als voorloper van het moderne struktuurbegrip mag worden beschouwd (Vesper 1980:112)27.). Dat Steinthal bij zijn aanval op Becker zelf van diens grammaticale termen gebruik maakte, is meer dan een incident: het ging Steinthal niet zozeer om de grammatische kant van Beckers theorie. Hij wilde de ondeugdelijkheid van Beckers achterliggende opvattingen aantonen, teneinde zo de weg vrij te maken voor de introduktie van zijn eigen, door hemzelf wetenschappelijk geachte, Herbartiaanse psychologie (cf. Forsgren 1973:109)28.).

 

Vorm. In zijn bespreking van wat hij noemt ‘die rationelle Sprachforschung’ neemt Diestel - tien jaar voor Steinthal - ook Becker scherp op de korrel; tegelijkertijd geeft hij een proeve van een grammatica op psychologische

[p. 192]

grondslag. Uitgaande van Herbarts psychologische principia verklaart hij dat het ‘psychologische Denken... Grund der Sprache’ is, en dat denken is allerminst identiek met het logisch denken. Taal en denken zijn twee verschillende zaken, grammatica en logica mogen niet met elkaar worden verward. Vandaar zijn mening: ‘Die Sprachlehre muss auf das Wesen der Sprache, auf den Ausdruck... sich beschränken... die Form allein ist Object der Sprachwissenschaft und der Sprachlehre’ (Diestel 1845:134-135). De door hem als desideratum gestelde ‘psychologische Grammatik’ (1845:13), waarin de goede kanten van zowel de Grimmse als de Beckerse richting verenigd zouden zijn, kan gecontrasteerd worden met Beckers systeem, waarin de afhankelijkheid van de vorm overwonnen werd geacht.

Becker immers verwijt de meeste grammatici voor hem, dat zij voor alles van het woord en de woordvormen zijn uitgegaan, terwijl hijzelf vanuit de zin en de betekenis van de zin deduceerde. ‘Wo die Form nicht unterschieden ist, unterscheidet sie daher auch nicht die Bedeutung’, typeert hij de oude benadering. Hij is er trots op, deze afhankelijkheid van de vorm overwonnen te hebben en de wetten der grammatica in zekere zin ‘van binnen uit’ te funderen.

Die Eigentümlichkeit des Systems besteht darin, dass die Verhältnisse der Begriffe und ihrer Beziehungen in der Sprache, und nicht die Formen des Ausdrucks die Grundlage desselben ausmachen; und es kann deshalb das System für die Grammatik aller Sprachen werden, weil die Verhältnisse der Begriffe und ihrer Beziehungen in allen Sprachen dieselben, und nicht, wie die Formen des Ausdrucks, verschieden sind (1837:vii).

In de tweede helft van dit citaat betoont hij zich een waardig erfgenaam van de universele grammatica.

De ‘Formen des Ausdrucks’ maken niet de ‘Grundlage’ van het systeem uit; de betekenis, zegt Scherer (1875:224), ‘war Grundlage des Systems’. Doet Becker zo de taalverschijnselen geweld aan? In ieder geval was zijn streven echte empirische grammaticale analyse (Forsgren 1973:118) en verscheidene van zijn observaties betreffende het Duits zijn zeer wel bruikbaar gebleken (cf. Noordegraaf 1981b:116,120). Becker was een goed waarnemer van het moderne Duits, oordeelt Scherer. Net zo min als later Zellig Harris de betekenis van de taaluiting terzijde kon laten, kon ook Becker bij zijn observaties om de ‘Formen des Ausdrucks’ heen - maar ‘die Darstellung und Anordnung’ ging van de betekenis uit (Scherer 1875:224). D.w.z., we hebben te maken met uitspraken post hoc. Er is nu eenmaal verschil tussen wat men feitelijk doet en de wijze waarop iets achteraf wordt gepresenteerd29.).

Het is in dit verband aardig om te zien, hoe Wilhelm Scherer de positie van Becker bepaalt. Op de vraag ‘Existieren im Sprachgefühl des Redenden grammatische Kategorien, die derselbe lautlich nicht bezeichnet?’ antwoordde Becker met ja, zo schrijft Scherer (1875:224), en hij onderscheidde dientengevolge tussen logische en grammatische vorm. De vraag die Scherer door Becker laat beantwoorden is letterlijk de vraag die Schleicher zichzelf tien jaar eerder stelde. En zijn antwoord luidde: ‘Wir haben kein recht, functionen da voraus zu setzen, wo keine Lautform ir vorhandensein an zeigt’ (cf. Noordegraaf 1981b:113). Geen geest (funktie) zonder lichaam (klankvorm)!30.)

Vijfentwintig jaar na Beckers dood, op de drempel van het neogramma-

[p. 193]

tisch tijdperk, spreekt Scherer vrij welwillend over deze algemene grammaticus. Steinthals kritiek, zegt hij, was zonder begrip voor het echte en belangrijke in Becker. ‘Es wäre Zeit, dass eine productive Kritik das Fruchtbare in seinen Anschauungen für die deutsche Wissenschaft zurückerobern suchte’. Het kan geen kwaad, nog eens te onderstrepen dat Beckers werk voor de ontwikkeling van de traditionele syntactische opvattingen ‘von entscheidender Bedeutung’ is geweest. De vorm die deze opvattingen nu hebben, is in essentie afkomstig uit de kring van Becker c.s. (cf. Forsgren 1979:110, 114).

 

Receptie. Roorda's houding ten aanzien van Becker is in 1852 weliswaar redelijk positief - Beckers Organism behoort tot ‘het beste en grondigste’ wat over logische analyse is geschreven -, maar toch vrij kritisch: dat werk ‘laat nog veel te wenschen over’ (1852: vi). In het voetspoor van Becker (Van Driel 1982b:123) leverde hij een bijdrage ‘tot volmaking der wetenschap’ (Roorda 1852:vii), d.w.z. hij meende een werk te schrijven dat superieur was aan dat van Becker.

Hoe was nu Te Winkels houding wat betreft Becker? In de 89 artikelen die Te Winkel vanaf 1859 tot aan zijn dood in 1868 in De Taalgids publiceerde, komt Beckers naam slechts driemaal voor (Van Helvoort 1977:79). En dat gebeurt dan nog binnen het kader van één artikel, waarin Becker wordt geprezen om zijn grondige behandeling van de stijlleer (De Taalgids 3 (1861), p. 112,118,119)31.).

In het Nieuw Nederlandsch Taalmagazijn (1853 - 1857) ventileert Te Winkel enkele malen opvattingen die niet incompatibel zijn met Beckers werk of er misschien ten dele op berusten. Verder laat hij zich daar gunstig uit over het werk van G. van Wieringhen Borski, één van Roorda's trouwste aanhangers; ook over Roorda zelf vindt men uitlatingen in positieve zin. Maar slechts enkele jaren later worden zowel Roorda als Van Wieringhen Borski zeer scherp aangevallen en Te Winkel geeft dan ook te kennen, dat men Becker inderdaad met de bewoners van een krankzinnigengesticht zou kunnen vergelijken (1859:78).

Een externe verklaring voor Te Winkels plotseling wending is niet zo moeilijk te vinden. Het was de lektuur van het boek van Steinthal, Grammatik, Logik und Psychologie (1855) die hem de ogen opende. En via Steinthal omarmt hij de Herbartiaanse psychologie: de opstellen in De Taalgids, stelt zijn naamgenoot, liggen veelal op taalpsychologisch gebied (J. te Winkel 1905:10). Ook wie de term ‘invloed’ wil vermijden, zal hier moeten constateren, dat Te Winkel na lezing van Steinthal 1855 niet meer dezelfde was als voorheen.

6. Van ‘Algemene Grammatica’ naar algemene taalwetenschap

Bij de huidige stand van het onderzoek moet men zeggen, dat de ‘grammaire générale’ in Nederland nooit zo'n arbeidsintensief bedrijf geweest is als in Frankrijk of Duitsland, ook al vat men ‘grammaire générale’ op zowel als een bepaald soort grammatica als ook als typering van een bepaalde richting in het taalkundig bezig zijn. Diverse werkstukken van algemeen-grammaticale aard liggen nog verscholen in de archieven van genootschappen en geleerde maatschappijen. Op die kant van de zaak kan ik hier zeker niet ingaan, maar voor wie t.z.t. een poging wil doen de traditie van de algemene grammatica in Nederland te beschrijven, zal ik in het volgende enkele ‘stepping-stones’ aangeven.

[p. 194]

Meyer, Nil. Reeds in 1671 was Dr. Lodewijk Meyer (1629-1681) bezig een ‘Grammatica Generalis’ te vervaardigen, d.w.z. een algemene spraakkunst, waarschijnlijk gebaseerd op de ideeën van Antoine Arnauld en Claude Lancelot, neergelegd in hun Grammaire générale et raisonnée uit 1660 (cf. Dongelmans 1982:79). Twee jaren later blijkt deze Algemeene Spraakkonst nog niet klaar te zijn, en in 1677 is Meyer er nog steeds mee bezig. Om kort te gaan: de Algemeene Spraakkonst is nimmer verschenen.

Ook in 1671 begint het kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum aan het samenstellen van een Nederduitsche Grammatica. De wordingsgeschiedenis van deze spraakkunst is thans vrij goed bekend (cf. Dongelmans 1982:270-282). Voltooid is dit werk wel, maar volledig in druk verschenen is het nimmer. De eerste drie hoofdstukken werden uiteindelijk in 1728 gepubliceerd als Verhandelingen Van der Letteren Affinitas. Van het complete handschrift van de ‘ongedrukte Nederduitsche Spraakkunst’ van Nil werd voor het laatst in 1738 melding gemaakt (Dongelmans 1982:18).

Instruktief is, om verschillende redenen, Meyers wel gepubliceerde Italiaansche Spraakkonst van 1672. Het blijkt, dat aan deze grammatica eenzelfde opzet ten grondslag ligt als aan de Nederduitsche Grammatica. (Dongelmans 1982:64-65). Zodoende werpt deze Italiaanse spraakkunst het nodige licht op hoe er binnen Nil over bepaalde taalkundige kwesties werd gedacht32.). In de inleiding geeft Meyer aan hoe hij de relatie ziet tussen een ‘Algemeene’ en een ‘Bezondere’ spraakkunst. Toen hij zich aangewezen voelde ‘om eene Algemeene Spraakkonste op te stellen, waar na zich alle Bezondere te schikken hadde’, merkte hij dat het verschil niet overal scherp was aangegeven: zelfs de ‘allergrootste Taalgeleerden, en Meesters, die van deeze Konste geschreeven hebben’, bewandelden niet altijd de juiste weg.

In eerste instantie was Meyer van plan geweest een algemene grammatica te schrijven en de Italiaanse spraakkunst ‘daar aan te hechten’. Omdat een dergelijk boek veel te omvangrijk dreigde te worden, besloot hij ‘hier alleen uit de Algemeene Spraakkonst het noodzaakelijkste, en zonder het welke de Bezondere over de Italiaansche Taale... onverstaanlijk zoude zijn, zo beknoptelijk en klaarlijk, als ons doenlijk geweest is, in te vlijen’ (geciteerd bij Dongelmans 1982:113-114). Meyers opsplitsen van de grammatica in een ‘Algemeene (Generalis) ofte Natuurlijke (Naturalis)’, d.w.z. ‘eene van de Taalen in het gemeen’, en een ‘Byzondere (Specialis), ofte Konstige (Artificialis)’, d.w.z. ‘eene van elke Taale in het byzondere’, zal de lezer inmiddels bekend voorkomen,33.)

Corleva. In de achttiende eeuw werden soortgelijke aktiviteiten ontplooid door de Amsterdamse savante Johanna Corleva (1698-1752). Zij verwierf enige bekendheid door haar werk De Schat der Nederduitsche Wortel-woorden (1741), dat opgedragen is aan Balthasar Huydecoper. Minder bekend werd, dat zij in 1740 een Nederlandse vertaling publiceerde van de Amsterdamse editie (1703) van de Grammaire van Port-Royal (cf. Noordegraaf 1978, 1982b). Een Franse en een Nederlandse grammatica, opgezet volgens het in deze Algemeene en geredeneerde spraakkonst gegeven model, waren in 1741 persklaar; voorzover we weten zijn ze nooit in druk verschenen. Kinker. Vonden de zojuist vermelde bezigheden min of meer plaats in aansluiting bij ‘Port-Royal’, bij Johannes Kinker (1764-1845) wordt de omgeving der ‘Messieurs’ verlaten en vindt een oriëntatie op Kant ingang. In zijn Inleiding eener wijsgeerige algemeene theorie der talen (1817) presenteert Kinker een rationalistische taaltheorie. Het bijzondere aan deze theorie is, dat ze kantiaans is: de ‘algemeene taalwetenschap’ wordt nu bedreven op basis van een kantiaanse analyse van het denken. Op grond

[p. 195]

daarvan laat Kinker zien, hoe de taal, een ideale taal, in elkaar steekt. Daarmee is een maatstaf geïntroduceerd ter beoordeling van de verschillende talen; de graad van volkomenheid ten opzichte van deze ideale taal kan zodoende worden vastgesteld.

Eén voorbeeld. Vanuit het denken komt Kinker tot een ‘ideale’ indeling van de werkwoorden. Al die werkwoorden zouden ook in de verschillende talen aanwezig moeten zijn, maar bepaalde onderscheidingen worden soms helemaal niet of onvolledig aangetroffen. Dat ligt aan de onvolkomenheid der talen, die tekort schieten in het uitdrukken van bepaalde onderscheidingen. Kinker is er niettemin van overtuigd, dat de talen zich steeds meer in de richting van de ideale taal zullen gaan ontwikkelen (cf. Van der Wal 1977:58-59).

Jan te Winkel constateerde dat Kinker met zijn poging de algemene taalwetten te verklaren uit de algemene denkwetten der Kantiaanse wijsbegeerte ‘de periode der logische taalbeschouwing... waardig besloot’ (1905:9). Vandaar dat A. de Jager in 1861 opmerkte, dat er een grote kloof bestond tussen ‘de beschouwing van het werkwoord, nu door Dr. T[e] W[inkel] voorgestaan’ en die ‘welke vroeger door KINKER in zijne verhandelingen bij het voormalig Instituut is geleverd. Niemand heeft ooit den Hoogleeraar groote scherpzinnigheid ontzegd en toch - van zijn wijsgeerig taalsysteem maakt Dr. T[e] W[inkel] niet eens meer melding’ (De Taalgids 3:191-192).

In hetzelfde jaar had Te Winkel al zelf aangegeven wat hem van de oudere taalbeschouwing scheidde:

De bron der meeste dwalingen in de Grammatica is steeds geweest eene verkeerde taalbeschouwing. Tot de jongste tijden toe merkte men, hoewel zonder helder bewustzijn, de Taal aan als eene gebrekkige uitdrukking van het zuiver logische denken, hetwelk men in alle menschen onderstelde; terwijl zij integendeel eene volkomen juiste uitdrukking is van een gebrekkig denken van den nog weinig ontwikkelden mensch. De onvolmaaktheid van dit denken is eerst veel later opgemerkt, toen de talen reeds gevestigd waren, en zal nog meer en meer opgemerkt worden. Wie de Taal naar waarheid wil verklaren, moet trachten in dat primitieve gebrekkige denken door te dringen en aan te toonen, hoe het in de Taal is uitgedrukt; doch het spreekt wel van zelf, dat hij niet geroepen kan worden om het te rechtvaardigen (Te Winkel 1861:25-26).

De taal mag niet gemeten worden met de maatstaven der logica; de taal kent eigen normen en wetten. Een dergelijke benadering heeft gevolgen, ook voor het werkprogramma van de Logische Analyse. De analyse moet worden ingericht, zodanig

dat de wijze, waarop de gedachten door woorden worden uitgedrukt, tot een helder bewustzijn worde gebracht. Aan de beschouwing der begrippen en gedachten ruimen wij slechts de tweede plaats in; wij maken de laatste beschouwing aan de eerste dienstbaar. Het is de uitdrukking, die moet verklaard worden, de gedachte alleen voor zoo verre zulks noodig is om de beteekenis der uitdrukking te vatten. Ontmoeten wij strijd tusschen gedachten en gedachtenuiting; zou een zin volgens zijnen vorm, onder deze soort, volgens de gedachte, die hij bevat, onder eene andere te brengen zijn, dan moet de vorm ons meer gelden dan de gedachte (Te Winkel 1858:9).

[p. 196]

Vergelijk hiermee wat Te Winkels vriend en latere mederedakteur Arie de Jager (1842:148) al eerder over het ontleden opmerkte:

Sommigen schijnen bij het redekundig ontleden uit het oog te verliezen, dat dit zich bloot moet bepalen tot den vorm, waarin de in het voorstel begrepene gedachte is uitgedrukt, en niet tot zulke andere vormen, als waarin dezelfde gedachte, naar ons spraakgebruik, zich ook zou kunnen laten overbrengen... Het voorstel de kunsten bloeiden, verwissele men niet in de kunsten waren bloeijende, zoo als dit telkens geschiedt in sommige... Fransche leerboeken.

In een noot verwijst De Jager dan naar ‘de bij ons veel gebruikt wordende Leçons d'Analyse logique van Noël en Chapsal’, die hij eerder in één adem had genoemd met de werken van Letellier zowel als van Becker en Wurst (1842:141).

Veelzeggend is de strekking van De Jagers kritiek en ook het adres waaraan hij zijn kritiek richt. Hij verwijt de exponenten van de Franse en Duitse algemene grammatica het veronachtzamen van de vorm34.). Koenen en Bogaerts (1885:52) geven jaren later nog een soortgelijke waarschuwing.

Bij 't ontleden dient men zich zoveel mogelijk te houden aan den vorm der uitgedrukte gedachte; met dezen vorm heeft men te rekenen. 't Is daarom steeds de vraag: wat is er gezegd en niet wat is er gedacht?

Deze en soortgelijke uitlatingen geven aanleiding tot de opmerking dat de logische analyse gericht was niet zozeer op de ‘betekenis’, maar op -negentiende-eeuws geformuleerd - ‘de vorm van den zin’. Vergelijk wat Bakker zegt over de beoefenaars van de Logische Analyse in Nederland: hun opvatting mag niet worden geïdentificeerd met die van Becker. Ze vertoont er wel affiniteit mee, maar ze gaat bij die analyse een weg op die door Becker nimmer betreden zou zijn: de verdiscontering van de taalvorm (Bakker 1968:26). Er wordt, kortom, een schrede voorwaarts gedaan in formalistische richting. Kan dit begrepen worden onder het streven om de algemene grammatica ‘faire plus scientifiquement’ (Mounin 1970:222, zie hier paragraaf 2)?

Den Hertog. Omstreeks 1870 verandert de logische analyse van karakter. Te Winkel overlijdt in 1868. Roorda's Over de deelen der rede verschijnt in 1864 voor de derde en laatste maal en tot zijn dood in 1874 wijdt Roorda zich vooral aan het voltooien van zijn Javaans woordenboek. Brill tenslotte verlaat in 1871 het terrein der grammatica om tot ‘gewichtiger studiën’ over te gaan. De algemene grammatica voorzover logische analyse komt met name in didaktisch vaarwater terecht. Het is vooral C.H. den Hertog (1846-1902) geweest, die heeft laten zien tot welke verfijningen de logische analyse in staat was. Want ondanks bestudering en verwerking van contemporaine literatuur (cf. Hulshof 1982) is hij een man van de logische analyse gebleven (Bakker 1968:213)35.), en is ‘het werk, door Dr. L.A. te Winkel begonnen’ (Den Hertog 1889:487) door hem voortgezet.

Zonder afbreuk te doen aan Den Hertogs creativiteit kan men wijzen op de (Nederlandse) taalkundige traditie waarin deze hoofdonderwijzer staat. Op basis van verschillende termen, zinswendingen en een aantal verwijzingen van Den Hertog kunnen we de conclusie trekken, dat hij aan de resultaten van de logische analyse in de jaren vijftig en zestig wel een en ander

[p. 197]

te danken heeft. Het kader voor zijn taalkundige arbeid is mede bepaald door Brills spraakkunst en de artikelen van Te Winkel, zowel die uit het Nieuw Nederlandsch Taalmagazijn als uit De Taalgids. Enkele jaren voordat Den Hertog zijn voorstudies voor zijn Nederlandsche Spraakkunst (1892-1896) in het licht gaf, schreef Terwey, die andere hoofdstedelijke grammaticus, in De Amsterdammer van 7 oktober 1886:

In bijna alle Nederlandsche spraakkunsten zijn [de technische termen] op luttel uitzonderingen na, dezelfde, die door prof. Brill en door wijlen dr. L.A. te Winkel voor tientallen van jaren reeds in gebruik zijn gebracht. De nieuwigheden, in dezen door Roorda verkondigd, hebben slechts een kortstondig bestaan gehad (cf. Noord en Zuid 10 (1887):84-85).

Niet bij termen alleen is het gebleven. Ook conceptueel zijn de latere spraakkunstenaars in menig opzicht aan ‘prof. Brill en... wijlen dr. L.A. te Winkel’ dank verschuldigd (cf. Van Driel 1982b:122, 135). Bij Den Hertog lijkt ‘de tijd der eenzijdige bewegingen’ voorbij. Hij streeft ernaar, een stelsel te ontwikkelen dat aan de betekenis zoveel recht doet als de vorm redelijkerwijze toelaat en aan de vorm, zoveel als de betekenis niet in het gedrang brengt (Bakker 1977:153). Een synthese van rationalistische en empirische beschouwing lijkt hem haalbaar, formuleert Hulshof (1982:214). Kortom, Den Hertog als voorstander van een ‘empirisch rationalisme’ (cf. Hulshof 1982:209). Hoogvliet. Algemene grammatica in welhaast klassieke zin werd beoefend door de classicus J.M. Hoogvliet (1860-1924). Hoewel vertrouwd met en geïnteresseerd in de historische grammatica was hij - waar hij de beschrijving der taalvormen tot onderwerp koos - ‘met volkomen bewustheid geen taalhistoricus’. Hij was er ten diepste van overtuigd, dat er behalve de historische taalbeschouwing ook een niet-historische bestaan kon en dat deze laatste geen greintje minder wetenschappelijk behoefde te zijn dan de eerste (Hoogvliet 1903:vi). De opvattingen zoals in zijn hoofdwerk, Lingua (1903), neergelegd, hadden reeds vaste vorm in zijn geest aangenomen toen hij nog student te Leiden was (Hesseling 1903:233), d.w.z. in de jaren 1878-1885.

De polyglot Hoogvliet lijkt het oude Port-Royal ideaal te doen herleven. Vanaf 1887 liet hij diverse taalleerboeken verschijnen, die gerelateerd kunnen worden aan zijn later ‘handboek voor algemene taalkennis’. Wie het algemeen spraakkunstig handboek heeft doorgewerkt, kan Japans of Hongaars leren uit een boekje van zo'n dertig bladzijden druks: alleen enig geheugenwerk resteert, het begripwerk is met behulp van het algemene handboek in eens voor alle talen afgedaan (1903:ii-iii)36.). Theoretisch is Hoogvliet een eclecticus bij uitstek; Van Ginneken brandde zich eens de vingers bij zijn poging enkele bronnen van Hoogvliet te traceren. Hoogvliets psychologie brengt recensenten tot spot, en verbijstering.

Als uitgangspunt kiest Hoogvliet de gesproken, levende taal. De vormen van de levende taal ziet hij niet als resultaat van een bepaalde historische ontwikkeling, maar van een telkens weer nieuwe ontwikkeling37.). Taalvormen ontstaan telkens opnieuw en moeten niet los gezien worden van de spreker die zich ervan bedient. Enkele verdere typeringen ontleen ik aan Dèr Mouws studie van 1903. ‘Niet historisch verklaren, niet afleiden uit vroegere taaltoestanden, niet de wordingbeschrijven wil i; hem is et voor alles om de quaestio facti te doen’, geeft Dèr Mouw aan. Hoogvliets taalopvatting is funktioneel: zonder acht te slaan op de historische

[p. 198]

afleiding vraagt deze naar de aktuele funktie: ‘wat doet et?’ (Dèr Mouw 1949:271). De taal is niet in eerste instantie een instrument om onze gedachten mee te delen, maar ze is voor alles denkmiddel (1949:263). De stap naar een algemene spraakkunst is zo niet moeilijk: er is een algemene spraakkunst mogelijk die op alle talen past, ‘'n stelsel van begripsonderscheidingen, waarin elke taal kan worden thuisgebracht’ (Dèr Mouw 1949:263).

Van der Wijck, Kinker-kenner bij uitstek, noteert dat er volgens hem ‘nog nooit, behalve door Mr. Kinker, een zoo algemeene taaltheorie in het Nederlandsch is voorgedragen’. Het verschil in benadering anno 1817 en anno 1903 springt evenwel in het oog. Bij Kinker

was zij de toepassing van een philosophisch stelsel, terwijl Dr. Hoogvliet juist omgekeerd door geduldige beschouwing van taalkundige feiten tot zijne algemeene theorie en een daarmede strookende psychologie werd gebracht (Van der Wijck 1903:1001).

Feiten, zeker. Blijft staan wat Van der Wijck ook signaleerde, nl. dat Hoogvliet, in strijd met de meestal heersende opvatting, betoogt dat een zuiver logische indeling der woorden, ‘geheel los en vrij van de toevallige vormverschijnselen der afzonderlijke talen’, mogelijk is (1903:1000). Van Ginneken. Hoogvliets ideeën stuitten blijkens de diverse besprekingen op een reeks van theoretische en praktisch-didaktische bezwaren. De kritici van Lingua twijfelden aan Hoogvliets algemeen-menskundig-vergelijkende taalstudie, Alleen Jacques van Ginneken (1877-1945) geloofde in een vergelijkende psychologische taalwetenschap, zoals blijkt uit zijn overigens zeer kritische recensie. Uit zijn bespreking van Hoogvliets universele spraakleer in 1903 groeide, zo vertrouwde hij ooit een zijner intimi toe, zijn dissertatie Principes de linguistique psychologique (1907), waarvan een eerste, Nederlandstalige versie in 1904-1906 in Leuvensche Bijdragen was verschenen. Op nationaal vlak een poging om Hoogvliet te overtreffen, internationaal gezien een poging om Wundt voorbij te streven.

De ‘linguistique générale’ is weliswaar een ‘science sociale’, behoort tot het gebied der estetica tevens, maar is bovenal ‘linguistique psychologique’ (1907:iii). Met behulp van het werk van zeshonderd taalgeleerden toetst Van Ginneken de principia van zijn psychologische taalwetenschap aan de feiten van talloze, ook niet-Indogermaanse talen: een poging om te ontkomen aan het ‘eenzijdig positivisme’ van de ‘Pruisische arsenaalwetenschap’, de Duitse Indogermanistiek.

Van Ginneken betitelde z'n werk als een ‘proeve van synthese’. Maar ondanks het streven om theorie en feiten in evenwicht te houden werd zijn boek tot een labirint van postulaten en scholastische indelingen (cf. Blumenthal 1970:48). Zijn psychologische uitgangspunten riepen bij Delbrück (1919:151) herinneringen op aan de manier waarop de Duitse classicus Gottfried Hermann (1772-1848) de Kantiaanse categorieën op de taal had toegepast.

Van Ginnekens bezig zijn met wat hij ‘linguistique générale’ noemde, had tot doel een beeld te geven van de psychische krachten die de verschijnselen der taalverandering veroorzaken; in die zin staat hij nog op een ‘historisch’ standpunt.38.) Anderzijds verklaarde hij in 1931, dat zijn dissertatie uit 1907 reeds driekwart bevatte van de waarheden, die later onder meer door de Praagse school uitgedragen zouden worden.

Als reaktie op een universele spraakleer is Van Ginnekens dissertatie als aemulatio op te vatten. Dieper én breder: een verzoening van een

[p. 199]

(superieure) theorie op psychologische basis met gevarieerder en overvloediger feitenmateriaal. De ‘grammaire générale’ is geworden tot ‘linguistique générale’. Vergelijk hiermee de schets die Meillet in 1906 van deze ontwikkeling gaf:

L'ancienne grammaire générale est tombé dans un juste décri parce qu'elle n'était qu'une application maladroite de la logique formelle à la linguistique où les catégories logiques n'ont rien à faire. La nouvelle linguistique générale, fondée sur l'étude precise et détaillée de toutes les langues à toutes les périodes de leur développement, enrichie des observations délicates et des mesures précises de l'anatomie et de la physiologie, éclairée par les théories objectives de la psychologie moderne, apporte un renouvellement complet des méthodes et des idées: aux faits historiques particuliers, elle superpose une doctrine d'ensemble, un système (Meillet 1921:15).

Let wel, hier is nog steeds een historisch-vergelijkend taalkundige aan het woord. De wending naar de synchronie is een volgende stap.

7. Tenslotte

In de negentiende eeuw heeft men niet alleen in Frankrijk en Duitsland, maar ook in Nederland de algemene of filosofische grammatica bewust als wetenschap beoefend. Naast de normatief-kritische taalbeschouwing à la Weiland en Siegenbeek, naast en soms tegenover de historisch-vergelijkende taalkunde, vertegenwoordigd door geleerden als De Vries en Van der Tuuk, was men bezig met ‘algemene grammatica’, en in het bijzonder met ‘logische analyse’. Roorda's werk uit 1852 mag als uitvloeisel van deze aktiviteiten gelden, evenals de verhandelingen van L.A. te Winkel uit 1858 en 1859.

Veel meer dan Roorda was Te Winkel, medewerker van De Vries bij het WNT, historisch-taalkundig geïnteresseerd en publicistisch aktief op dat terrein. In een tijd dat men daar meende een bepaalde ‘Forschungsperiode’ op éclatante wijze te mogen afsluiten, bekritiseerde Te Winkel de eenzijdigheid van de historisch-vergelijkende taalwetenschap en het gebrek aan theoretische reflectie in de taalwetenschap in het algemeen. Hij en Roorda waren veelal bezig met vraagstukken van algemeen-taalwetenschappelijke aard. Uit hun werk blijkt, dat theoretische reflectie in de taalkunde niet pas bij De Saussure begon of, in eigen land, bij Den Hertog. Zo bevestigt Te Winkels streven de grondbegrippen van de grammatica ‘tot de hoogst mogelijke scherpheid en duidelijkheid’ te brengen de uitspraak van A.F. Pott: ‘An Aufhellung grammatischer Begriffe hat die allgemeine Grammatik höchst verdienstlichen Anteil’ (cf. Christmann 1977:229). En op basis van z'n eigen inzichten kon Roorda het standpunt verdedigen, dat de taal geen autonoom, los van de mens stand organisme is, maar produkt van de menselijke geest. Hij tracht dan ook de taal ‘uit de ziel van den mensch’ te verklaren, en retireert niet naar ouder taalstadia, valt evenmin terug op vernuftige, taalimmanente systemen.

Aandacht voor de levende taal, voor kwesties van theoretische aard, verwerping van de opvatting van taal als organisme in de zin van Schleicher, dit alles is niet het prerogatief van Bréal en anderen, zoals men in een onbewaakt ogenblik zou menen te moeten opmaken uit de recentere studies van Aarsleff. Voor een aantal kwesties lijkt hier sprake van een ‘multiple’ (cf. Aarsleff 1979:76), die geen eens gebonden kan worden

[p. 200]

met een begrip als ‘algemene grammatica’. Opvallend is, dat de Nederlanders expliciet Von Humboldt, K.W.L. Heyse en Steinthal tot hun voorlieden rekenen, en juist met déze traditie houdt Aarsleff nagenoeg geen rekening - wel met Von Humboldt zelf, maar die wordt eerst gereviseerd tot Frans ‘ideoloog’. En dat is Aarsleff niet in dank afgenomen (cf. Gipper & Schmitter 1979:99-116). Ook op dit soort punten kan de bestudering van de linguïstiek van een klein land onverwachte perspektieven bieden.

[p. 204]

Literatuur

Gebruikte afkortingen:

CLG F. de Saussure, Cours de linguistique générale. Ed. T. de Mauro. Paris 1974.
CLG/E idem. Ed. Rudolf Engler. Wiesbaden 1968.
CLG/E,N idem. Notes de F. de Saussure sur la linguistique générale. Éd. Rudolf Engler. Wiesbaden 1974.

Aarsleff, Hans 1979a ‘Bréal vs. Schleicher: Linguistics and Philology during the latter half of the nineteenth century’. In H. Hoenigswald, ed., The European background of American Linguistics. Dordrecht 1979: 63-106.
- 1981 ‘Bréal, la sémantique et Saussure’. HEL 3 (1981):115-133.
- 1982a From Locke to Saussure. London 1982.
- 1982b ‘Condillac, Taine et Saussure’. In Sgard 1982:165-174.
Altenburg, Fr.W. 1830 Allgemeine Bemerkungen über philosophische Grammatik. Schleusingen 1830.
Arens, Hans 1974 Sprachwissenschaft. Der Gang ihrer Entwicklung von der Antike bis zur Gegenwart. 2 dln. Frankfurt a.M. 1974.
Bakker, D.M. 1968 Samentrekking in Nederlandse syntactische groepen. Leiden 1968.
- 1972 Tekengeving en syntaxis. Assen 1977.
- 1977 ‘De grammatica in de negentiende eeuw’. In Bakker & Dibbets, red. 1977:113-160.
- & G.R.W. Dibbets, red. 1977 Geschiedenis van de Nederlandse taalkunde. Den Bosch 1977.
Becker, K.F. 1829 Deutsche Grammatik. Frankfurt a.M. 1829.
- 1837 Ausführliche deutsche Grammatik. II. Frankfurt a.M. 1837.
- 1841 Organism der Sprache. Frankfurt a.M. 1841.
Benfey, Theodor 1869 Geschichte der Sprachwissenschaft und orientalischen Philologie in Deutschland. München 1869.
Bierbach, Christine 1978 Sprache als ‘Fait social’. Tübingen 1978.
Blumenthal, Arthur L. 1970 Language and psychology. Historical aspects of psycholinguistics. New York etc. 1970.
Bréal, Michel 1866 ‘De la forme et de la fonction des mots’. In Bréal 1877:243-266.
- 1868 ‘Les idées latentes du langage’. In Bréal 1877:295-322.
- 1877 Mélanges de mythologie et de linguistique. Paris 1877.
- 1887 ‘L'histoire des mots’. Revue des deux mondes 82 (1 juli): 187-212.
- 1891 ‘Le langage et les nationalités’. Revue des deux mondes 108 (1 december):615-639.
Cherubim, Dieter 1973 ‘Hermann Paul und die moderne Linguistik’. ZDL 40 (1973):310-322.
Chervel, André 1977... et il fallut apprendre à écrire à tous les petits français. Histoire de la grammaire scolaire. Paris 1977.
Christmann, Hans Helmut 1974 Idealistische Philologie und moderne Sprachwissenschaft. München 1974.
- 1977, ed. Sprachwissenschaft des 19. Jahrhunderts. Darmstadt 1977.
Christy, Thomas Craig 1980 Uniformitarianism in linguistics. Unpubl. doct. diss. Princeton University 1980.
[p. 205]
Delbrück, B. 1919 Einleitung in das Studium der Indogermanischen Sprachen. Sechste, durchgesehene Auflage, Leipzig 1919.
Dieks, Dennis 1981 Studies in the foundations of physics. Utrecht 1981. Diss. Utrecht 1981.
Diestel, H. 1845 Die rationelle Sprachforschung. Königsberg 1845.
Dongelmans, B.P.M. 1982 Nil Volentibus Arduum: documenten en bronnen. Utrecht 1982.
Driel, L.F. van 1982a ‘Taco Roorda en de bepaling van gesteldheid’. NTg 75 (1982):36-38.
- 1982b ‘Tussen attributief en predikatief’. In Studies :110-136.
Druyven, Th. 1982 ‘Samenspraak bij de Hollandsche Spraakleer’. In Studies: 157-173.
Engler, Rudolf 1980 ‘Linguistique 1908: Un débat-clef de linguistique géographique et une question des sources saussuriennes’. In Konrad Koerner, ed., Progress in linguistic historiography. Amsterdam 1980: 257-270.
Forsgren, K-A. 1973 Zur Theorie und Terminologie der Satzlehre. Göteborg 1973.
- 1979 Rec. van F. Schmitthenner, Ursprachlehre (1826). Ed. Herbert E. Brekle, 1976. HL 6 (1979):108-116.
Ginneken, Jac. van 1907 Principes de linguistique psychologique. Amsterdam etc. 1907.
Gipper, Helmut & Peter Schmitter 1979 Sprachwissenschaft und Sprachphilosophie im Zeitalter der Romantik. Tübingen 1979.
Girault-Duvivier, Ch.P. 1839 Grammaire des grammaires. Nouvelle éd. Bruxelles 1839.
Grimm, Jacob 1819a ‘Jean Pauls neuliche Vorschläge, die Zusammensetzung der deutschen Substantive betreffend’. In Christmann 1977:7-14.
- 1819b Deutsche Grammatik. I. Göttingen.
Harnois, Guy [1928] Les théories de langage en France de 1660 à 1821. Paris 1928.
Haselbach, G. 1966 Grammatik und Sprachstruktur. Berlin 1966.
Heestermans, Hans 1981 ‘Het WNT en de Taal- en Letterkundige Congressen’. De Negentiende Eeuw 5 (1981):72-85.
Helvoort, J.R. van 1977 Beknopte terminografie van de taalkundige begrippen van L.A. te Winkel. Ongepubl., Vrije Universiteit Amsterdam 1977.
- 1982 ‘Over L.A. te Winkel (1809-1868)’. In Studies: 174-192.
Hertog, C.H. den 1889 ‘De taalstudie der onderwijzers’. Noord en Zuid 12 (1889), 1-21; 97-115;481-489.
- 1892 Nederlandsche Spraakkunst. I. Amsterdam 1892.
Hesseling, D.C. 1903 Rec. van J.M. Hoogvliet 1903. Taal en Letteren 13 (1903):233-235.
Heyse, K.W.L. 1856 System der Sprachwissenschaft. Berlin 1856.
Hjelmslev, Louis 1953 Prolegomena to a theory of language. Baltimore 1953.
Hoogvliet, J.M. 1903 Lingua. Amsterdam 1903.
Hulshof, H. 1982 ‘C.H. den Hertog en zijn bronnen’. In Studies :193-215.
Humboldt, Wilhelm von 1963 Schriften zur Sprachphilosophie. Darmstadt 1963.
Jäger, Ludwig 1975 Zu einer historischen Rekonstruktion Rekonstruktion der authentischen Sprach-Idee F. de Saussures. Bübingen 1975. Diss. Düsseldorf 1975.
[p. 206]
Jager, A. de 1842 ‘Iets over het redekundig ontleden’. De Unie. Eerste deel, tweede stuk (1842):136-151.
- 1849-1850 ‘Werken van K.F. Becker’. Archief voor Nederlandsche Taalkunde 2 (1849-1850):287-288.
Joly, André & Jean Stefanini, eds. 1977 La grammaire générale. Des modistes aux idéologues. Villeneuve-d'Ascq 1977.
Kaltz, Barbara 1978 ‘Christoph Helwig, ein vergessener Vertreter der Allgemeinen Grammatik in Deutschland’. HL 5 (1978):227-235.
Koenen, M.J. & A.M. Bogaerts 1885 Practische Taalstudie. Stijl- en taaloefeningen. 4e dr. Groningen 1885.
Koerner, E.F.K. 1975 ‘European structuralism: early beginnings’. In T.A. Sebeok, ed., Historiography of linguistics. The Hague etc. 1975: 717-827 (= Current Trends in Linguistics, 13).
Kukenheim, Louis 1962 Esquisse historique de la linguistique française et des ses rapports avec la linguistique générale. Leiden 1962.
Loux-Schuringa, Anke le 1982 ‘The predicate in 19th century sentence grammar’. In Saskia Daalder & Marinel Gerritsen, eds., Linguistics in the Netherlands 1982. Amsterdam 1982:21-26.
Madvig, J.N. 1843 Bemerkungen über verschiedene Puncte des Systems der Lateinischen Sprachlehre und einige Einzelheiten derselben. Als Beilage zu seiner Lateinischen Sprachlehre für Schulen. Braunschweig 1843.
- 1871 ‘Einige der Voraussetzungen der Etymologie und ihre Aufgabe’. In Christmann 1977:146-179.
Meillet, A. 1921 Linguistique historique et linguistique générale. Paris 1921.
[Meyer, Lodewijk] 1672 Italiaansche Spraakkonst. Amsterdam 1672.
Mok, Q.I.M. 1971 De actualiteit van de Grammaire van Port-Royal. Rede. Groningen 1971.
Mounin, George 1970 Histoire de la linguistique des origines au XXe siècle. Paris 1970.
Mouw, J.A. dèr 1949 ‘Dr. J.M. Hoogvliet's opvatting van taalstudie en methode van taalonderwijs’. In id., Verzamelde Werken. Deel 6. Amsterdam 1949:257-387.
Noordegraaf, Jan 1978 ‘Linguistica Neerlandica: a Dutch translation of the Port-Royal Grammar’. HL 5 (1978):193-196.
- 1979 ‘Verandering in het taalkundig denken. Kanttekeningen bij een diskussie tussen Taco Roorda en Matthias de Vries’. In: Handelingen van het 35e Nederlandse Filologencongres. Amsterdam 1979:53-60.
- 1980 ‘De taaltheorie van Matthias de Vries’. Glot 3 (1980):47-66.
- 1981a ‘Spelling, taalkunde en filologie. Van De Vries naar de School van Kollewijn’. In Studies voor Damsteegt. Leiden 1981:140-151.
- 1981b ‘Over een “Proeve van Woordvoeging” (1843)’. Voortgang II (1981):103-123.
- 1982a ‘Traditie en vernieuwing in de taalwetenschap’. In Studies: 81-109.
- 1982b ‘The Port-Royal Grammar. A bibliographical note’. HL 9 (1982).
Norman, William M. 1972 The Neogrammarians and comparative linguistics. Unpubl. doct.diss. Princeton University 1972.
Ott, Rudi 1975 Satz und Urteil. Bern & Frankfurt 1975.
Paul, Hermann 1920 Prinzipien der Sprachgeschichte. Halle 19205.
Percival, W. Keith 1969 ‘Nineteenth Century Origins of Twentieth Century Structuralism’. In Papers from the fifth regional meeting of the Chicago Linguistic Society. Chicago 1969:416-420.
[p. 207]
Porset, Charles 1977 ‘Grammatica philosophans... Bibliographie’. In Joly & Stefanini 1977:11-95.
Roorda, T. 1835 Ontwikkeling van het begrip der philosophie. Leeuwarden 1835.
- 1852 Over de deelen der rede en de rede-ontleding, of logische analyse der taal tot grondslag voor wetenschappelijke taalstudie. Leeuwarden 1852.
- 1856 ‘Over het onderscheid tussen spreektaal en schrijftaal’. In Versl. en Med. KAW, afd. Letterkunde. I. Amsterdam 1856:93-118.
- 1858a ‘Bijlage tot beantwoording van de Heeren De Vries en Brill’. In Versl. en Med. KAW, afd. Letterkunde. III. Amsterdam 1858:150-180.
- 1858b Verhandeling over het onderscheid en de behoorlijke overeenstemming tusschen spreektaal en schrijftaal. Leeuwarden 1858.
Salmon, Vivian 1979 The study of language in 17th-century England. Amster-Amsterdam 1979.
Salverda de Grave, J.J. 1929 ‘Grammatica van vroeger tijd’. Neophilologus 14 (1929):245-253.
Scherer, W. 1875 ‘Karl Ferdinand Becker’. In Allgemeine Deutsche Biographie. II. Leipzig 1875:224-225.
Schleicher, August 1863 ‘Die Darwinsche Theorie und die Sprachwissenschaft’. In: Christmann 1977:85-108.
Sgard, Jean 1982, ed. Condillac et les problèmes du langage. Genève-Paris 1982.
Slotty, I. 1935 Zur Geschichte der Teleologie in der Sprachwissnschaft. Breslau 1935.
Steinthal, H. 1855 Grammatik, Logik und Psychologie. Berlin 1855.
- 1864 Philologie, Geschichte und Psychologie in ihren gegenseitigen Beziehungen. Berlin 1864.
Stroom, G.P. van der 1981 ‘De receptie van Jac. van Ginnekens taalbiologie’. Voortgang II (1981):81-102.
Studies op het gebied van de geschiedenis van de taalkunde. Onder redaktie van L. van Driel en J. Noordegraaf. Kloosterzande 1982.
Teeuw, A. 1971 ‘Foreword’. In H.N. van der Tuuk, A grammar of Toba Batak. The Hague 1971: xiii-xl.
Telegdi, Zs. 1966 ‘Zur Geschichte der Sprachwissenschaft (“Historische Grammatik”)’. In Acta Linguistica Academiae Scientiarum Hungaricae 16 (1966):225-237.
- 1967 ‘Struktur und Geschichte: zur Auffassung ihres Verhältnisses in der Sprachwissenschaft’. In id. 17 (1967):223-243.
Tell, Julien 1874 Les grammariens français 1520-1874. Brussel 1874.
Thurot, Charles 1870 Rec. van J.N. Madvig, Grammaire latine (1870). Revue critique d'histoire et de la litérature 5 (1870):380-387.
- 1875 Rec. van J.N. Madvig, Kleine philologische Schriften. (1875). Ib. 9 (1875):241-245.
Toorn, M.C. van den 1978 Methodologie en taalwetenschap. Utrecht-Antwerpen 1978.
Uhlenbeck, E.M. 1963 Rec. van De Witte & Wijngaards 1961. LT 220 (1963): 411-420.
- 1964 A critical survey of studies on the languages of Java and Madura. 's-Gravenhage 1964.
Vesper, Wilhelm 1980 Deutsche Schulgrammatik im 19. Jahrhundert. Tübingen 1980.
[p. 208]
Vloten, J. van 1871 Zielkundig-historische inleiding ter Algemeene en Nederlandsche Taalkennis. Haarlem 1871.
Vries, M. de 1855-1856 ‘Aalwaardig’. Nieuw Archief voor Nederlandsche taalkunde 1855-1856:259-282.
- 1856 Reaktie op Roorda 1856. In Versl. en Med. KAW, afd. Letterkunde. I. Amsterdam 1856:171-173.
Wagner, Joachim 1973 Nicolas Beauzée (1717-1789) und die Tradition der Grammaire générale. Bochum 1973.
Wal, M.J. van der 1977 De taaltheorie van Johannes Kinker. Leiden 1977.
Whitney, W.D. 1875 The life and growth of language. London 1875.
- 1879 De taal in haar leven en ontwikkeling geschetst. Arnhem 1879.
Winkel, J. te 1905 Inleiding tot de geschiedenis der Nederlandsche taal. Culemborg 1905.
Winkel, L.A. te 1857 ‘Brief aan den Heer Dr. W.G. Brill’. Nieuw Nederlandsch Taalmagazijn 4 (1857):262-276.
- 1858 De logische analyse. I. Zutphen 1858.
- 1859 De logische analyse. II. Zutphen 1859.
- 1860 ‘Over de noodzakelijkheid der toepassing van de stelling: een woord staat onmiddellijk alleen in betrekking tot eene voorstelling’. De Taalgids 2 (1860):169-187.
- 1861 ‘Antwoord aan Prof. Dr. W.G. Brill op zijnen brief over de definitie van het werkwoord’. De Taalgids 3 (1861):1-26.
Witte, A.J.J. de & N.C.H. Wijngaards 1961 De struktuur van het Nederlands. 's-Hertogenbosch 1961.
Wunderli, Peter 1981 Saussure-Studien. Tübingen 1981.
Wijck, B.H.C.K. van der 1903 Rec. van J.M. Hoogvliet 1903. Onze Eeuw 3 (1903), II:997-1001.

Addenda:

Meinsma, J.J. 1874 ‘Herinnering aan den hoogleeraar T. Roorda’. In Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië. Derde volgreeks. Negende deel. 's-Gravenhage 1874:320-328.
Veth, P.J. 1874 ‘Levensbericht van Taco Roorda’. In Jaarboek KAW. Amsterdam 1874:17-58.